DE BESTE HAVENVAKSCHOOL TER WERELD

 

BOOTWERKERS


Met dank aan de nabestaanden van Dr. J. Ph. Backx om deze fantastische geschiedschrijving van de voor dit doel ingehuurde schrijver/interviewer Ch. A. Cocheret op deze plaats in extensie te mogen publiceren. Het onderstaande gestencilde boekje “Bootwerkers” (zie foto rechts) werd in 1952 door het personeel van Thomsen’s Havenbedrijf aan Jan Backx aangeboden ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum bij Thomsen als president-directeur.

Dit unieke document geeft een zeldzaam getrouw, en ook humoristisch, beeld van het werk in de Rotterdamse haven gedurende de eerste helft van vorige eeuw en nog enkele tientallen jaren daaraan voorafgaand. Hee
rlijke geschiedenis dus om van te smullen. Immers, heel veel van het hiernavolgende, werd nooit eerder, evenmin nadien, door erkende geschiedschrijvers opgetekend. Waardevol dus…meer dan dat.

De kleine tekeningen die de tekst illustreren zijn van de hand van de auteur zelf en werden op de stencils, zo bekend uit de jaren vijftig, als verspreidingsmiddel van eenvoudige boekjes met een daarvoor geschikte inktloze pen handmatig in het poreuze vloeipapier gegraveerd.

Cocheret was in die jaren weliswaar een bekend schrijver/journalist maar wat hij hier in de coulissen van een personeelsfeestje naliet is toch van een uitzonderlijke klasse. Een gedeeltelijke reconstructie van het havenwerk van destijds zoals het eigenlijk nergens anders zo authentiek eerder werd opgetekend aan de hand van betrouwbare getuigenverklaringen, en zonder overdreven opsmuk richting de besteller van het pamflet.

Geniet ervan, en vooral: koester het als een weergave van het interessantste vak dat ooit in Rotterdam werd uitgeoefend: de Havenarbeid.

Het ongelooflijke toeval wilde dat wij in 2013 voor het eerst als een buitenstaander inzage kregen in de  particuliere foto-albums van Dr. Jan Backx (waarover elders op deze site - zie hier- veel meer valt te lezen), en wij tot onze grote verrassing zagen dat een aantal personen dat in het onderstaande boek met name wordt genoemd in zijn privé-album soms al bijna een eeuw terug op de gevoelige plaat was vastgelegd. Hoe kan het authentieker dan die twee bronnen nu samen te voegen.

Een zeldzame combinatie van toevalligheden die wij hier graag laten samenvloeien. Met andere woorden, de unieke foto’s die u hier en daar bij de vermelde personen ziet zijn allemaal overgeleverd zonder dat zij een relatie of bedoeling hadden te worden opgenomen in dit aardige uitgegeven manuscript. Wij doen dat nu natuurlijk met graagte. Wat een verrijking.

In dit verband nooit en nergens eerder te zien geweest dus dan op deze site. Om trots op te wezen – en dat zijn wij ook. Wees er zuinig op, ter nagedachtenis van een aspect van de geschiedenis van Rotterdam en de havenarbeid aldaar die de stad de allure heeft gegeven waar nadien er zoveel mensen graag mee koketteren.

Frits Bom

 


BOOTWERKERS



VOORWOORD

Er zou een boek moeten verschijnen dat het personeel van Thomsen's Havenbedrijf Dr. Backx wilde aanbieden op de dag, waarop hij zijn 25-jarig jubileum bij dit bedrijf vierde.

Daarover kwamen twee heren met mij spreken,

Ik zag aanvankelijk in gedachten reeds zo'n vriendelijk keuvelend gedenkboek, waarin geen adjectieven dik genoeg konden zijn om naar het bekende recept, de verdiensten van de jubilaris te huldigen. Toen ik mij echter bij enig nadenken rekenschap gaf dat het hier ging om de persoonlijkheid van Dr. Backx, werd het mij duidelijk dat er van zulk een werk geen sprake kon zijn.

Gelukkig stond ook mijn opdrachtgevers een geschrift voor ogen, dat niet de geschiedenis van Thomsen's Havenbedrijf zou bevatten, maar vooral een beeld zou geven van de bootwerker van 50, 60 jaar geleden, een beroep, dat dank zij mede de persoonlijke opvattingen en de daadwerkelijke interventie van Dr. Backx op een oneindig hoger peil is gebracht, dan waarop het in de laatste decaden van de vorige eeuw stond.

Er waren nog meerdere van die oude havenarbeiders in leven, die soms belangwekkende maar veelal grappige details uit het bestaan van dit bedrijf konden vertellen, die kleine alledaagse dingen, herinneringen wilden laten vastleggen? Men meende - en naar ik dacht terecht - dat men Dr. Backx geen beter geschenk kon aanbieden dan een soort geschreven grammofoonplaat van hun memoires, die tevens een tijdsbeeld konden geven van het Rotterdamse leven in die jaren, waarin die verbijsterend snelle opkomst van Rotterdam inzette.

Toen ik echter een groot deel van die oude herinneringen had uitgewerkt, "bleek mij pas, dat de door de arbeiders gereleveerde feiten niet voor het eerst op het tapijt werden gebracht.

Dit maakte mijn opdracht niet gemakkelijker. De aantrekkelijkheid van het werk werd daardoor beperkt tot het verzamelen van reeds bekende memoires. Er komt bij Dr. Backx geen Clio binnen met een nieuw geluid. Zij is slechts in een ander kleed gestoken,

Ik heb de bootwerkers aan het woord gelaten zoals zij het woord gebruiken. Hun ongekunstelde aanvaarding van al wat des mensen en des levens is, heb ik mede aanvaard in de woorden, waarvan zij zich bedienen, onbewust soms van de tragiek die zij - terecht - als een vanzelfsprekend deel van het mensenleven beschouwen, maar nòg zich de dijen bekletsend van plezier om de grappen en grollen, die een tegenstelling moesten vormen met de harde eentonigheid van hun arbeid.

Een historisch verantwoord artikel over het ontstaan en de ontwikkeling van Thomsen's Havenbedrijf zou een langdurig archiefonderzoek vereisen en, gesteld dat de archieven daartoe opengesteld werden, dan nog zou niemand beter dan Dr. Backx zelf een dergelijk gedenkschrift kunnen samenstellen. Evenwel zou daarin dan waarschijnliik weinig plaats overblijven. voor de herinneringen van de arbeiders.

Enkelen daarvan hebben hun tijd begrepen. Eén hunner kon met een verwonderlijk analytisch vermogen de plaats van de arbeider in het bedrijfsleven klaar en duidelijk zien. Niet eng en egoïstisch maar met begrip van en waardering voor de weg, die zijn werkgeefster ten behoeve van de arbeiders was opgegaan en die, in de loop der tijden, werkgevers en v/werknemers nader tot elkaar zou brengen en zelfs tenslotte tot de zo zeer legeerde wereldverzoening zou kunnen leiden. Het hier volgende geeft slechts een beeld van het leven van de havenarbeider. Wij gaan niet langs de wetenschappelijke hoofdweg van de historie, maar volgen de romantische "bijweg van de subjectieve herinneringen.

Ik heb niet getracht de werkelijkheid te verfraaien. Ik heb alleen de in deze verhaaltrant werkelijk onmisbare dreun van de gedachteloos geuite vloeken iets verzacht. Zola heeft gezegd: on a souvent besoin de mots comme des fers rouges" om de harde realiteit te brandmerken. Wanneer er zulke brandende woorden in de verhalen der bootwerkers voorkomen, heb ik niet geschroomd ze neer te schrijven. Stellig niet met de wens een domme lach te verwekken of de preutsheid te plagen, maar om de levenswaardering, die erin opgesloten ligt, tot uiting te brengen. Wie er aanstoot aan neemt, beseft niet, dat niet de woorden, maar de toestanden, die zij kenmerken, de aanstoot gaven.

TUSSEN DE ARBEIDERS


Ik was nauwelijks terug van een bezoek aan een groot industrieel bedrijf toen mijn aandacht werd  gevraagd voor de havenarbeid.

Die hypermoderne industrie, ook al werden daar mondaine producten van welrieken- de aard in 't verschrikkelijk groot gemaakt, had een bepaald charmante indruk bij mij achtergelaten. Het leek meer op een generale repetitie voor een operette, dan arbeid in een fabriek, een woord dat in het leven en in de literatuur nog altijd een onprettige klank heeft. Maar daar liepen mannen en zwermen meisjes rond in blauwe overalls, in dagklare hallen, waar alle maatregelen voor veiligheid en hygiëne tot in de puntjes waren verzorgd. Beringde handjes dirigeerden filen van geëmballeerde producten, die als kleurige poppetjes over de transportbanden de deur uit dansten. Rond de ijzeren pijlers waren bakken aangebracht met gezellige voorjaarsbloemen, er hing zo'n kappersgeurtje en de radio neuriede een krols deuntje. Het leven van die arbeiders en arbeidsters kon, dacht ik, niet genoeglijker voortrollen, dan dat “des ge rusten landmans", waarin Poot zich zo dichterlijk vergiste.

En nu sta ik ineens tussen een andere categorie van arbeiders, op een stoomschip, dat aan de kade van de Lekhaven gemeerd ligt. Open luiken zijn tot bovenaan gevuld met steenkolen, die er soms overheen gepuild en zwart platgetreden zijn door het werkvolk op de k
linkende ijzeren gangpaden. Het is er rauw en rommelig....val niet over die kabels ... .pas op . . . .een kraan, zwaait een netvol ijzeren vaten door de lucht over je hoofd heen en laat het zakken in het ruim. Dan stijgt er uit dat open vierkante gat een gerucht op of een paukenist er met een voorharner op bonsde.
De bootsman hangt over de rand te kijken en beduidt met alleen maar driftige gebaren aan de winchman wat er daar beneden allemaal gebeuren moet met zo'n klussie stukgoed. Wanneer je ook in dat ruim kijkt zie je ineens waarom dat "een ruim" heet. Duizeldiep beneden je verzinken w
at mensen in het niet, die de luidruchtige vaten versjouwen. Het lijkt of het schip van een kerk wordt volgepropt met al de heterogene lading, die er ligt te wachten.

De baas in zijn -grijze uniform- T.H.B. op de linkerzijde van de borst weet te vertellen, dat daar colli van 7 ton bij zijn voor Zuid-Amerika. En daar moet de laadboom aan te pas komen van toch maar een middenmaat zeeschip, begrijp al in zit en die nog in de lichters langszij, want dat ding daar is maar een klein kraantje, die er van overstag zou gaan. Die kan wel 5 ton verzetten maar niet buiten boord. Je moet van kranen alles afweten, anders gaat het vast niet goed. Vorige week heeft er een, daar aan de overkant, zijn arm verloren. Je kunt de stompies nog zien staan waar ze gezeten hebben en de baas tekent met een rood potlood op de muur van de kombuis precies voor wat er met die kraan gebeurd is.... en vooral wat er niet gebeurd moet zijn,.....om 't te laten breken.

Ik moest telkens denken aan mijn fabriek, waar op ditzelfde uur "de revue" van de arbeid wordt opgevoerd, Dat was hier anders. In plaats van aanhalige radiozang waren er snuivende winches en kettinggeratel en de bonkende boldering van altijd meer lege vaten. En stel je dit dan voor in de regenvlagen van een lichtloze natte Novembermorgen. Nu lag alles klaar en warm in het licht van zo'n milde voorjaarsdag, waar April 1952 beroemd om zal blijven.

De bootwerkers..., ja stil maar.... ik weet wel, dat zij havenarbeiders heten, maar ik heb met mijn genegen hart voor Rotterdam, dat woord bootwerkers zo lief. De bootwerkers dan, hebben er de trui ook bij uitgetrokken, en tonen misschien wel een beet je manlijk behaagziek, hun rood geschroeide armen, volbepakt met spieren. Zij zetten hun body aan het werk. S
ommigen zijn besmeurd met koolstof en vettige vegen van zwarte machineolie en soms ook bestoft of ze met basterdsuiker waren bestrooid. Zo komt een werkbij onder het stuifmeel uit een diepe bloemkelk terug. Ze spuwen benijdenswaardig ver en welgemikt. Zij maken opmerkingen tegen elkaar, die me ontgaan, wat jammer is, want het is een lollige boel. Hun witte tanden in de zwarte gezichten herinneren me weer aan mijn gesoigneerde fabriek, waar ze tandpasta maken met een koekeroe-naam.

Hun plezier gold ......... zeer terecht……een struise schippersdochter, een baas van een meid, die voor 't geverniste deurtje op een rijnkast, een knoedel wasgoed w/rong of ze iemand wurgde.

Bootwerkers dragen sinds de bevrijding veelal die Amerikaanse petten, die de coureurs van de Tour de France ook op hebben, als zij op hun manier kromgetrokken van spier en pezenspanning in roekeloze razernij langs de berghellingen scheren, maar bij de bootwerkers zijn die kwieke petjes, met de voor- uitpiekende klep allicht wat verfomfaaid en beduimeld. Hun kleren hebben ook een okeren gloed gekregen van verwering, stof en smook. Dit alles is in hoge mate schilderachtig, Rotterdams en karakteristiek. En toch dringen wij zo zelden door in deze sector van ons maatschappelijk leven. Wij blijven er zo naast staan.

Als ik wat meer van het bedrijf zou willen vernemen, dan kon ik meteen terecht bij een ouwe baas van Thomsen's Havenbedrijf, die uit Harderwijk was overgekomen om nog eens van vroeger te vertellen. De vergelijking tussen heden en verleden is altijd machtig interessant en leerzaam. Anatole Erance heeft het zo kernachtig gezegd in dat zinnetje van acht woorden:

“L'amour du passé est inné chez l'homme." (liefde voor het verleden is bij de mens aangeboren. Red.)

Daarom is de ouwe Jan uit Harderwijk gekornen.

"Uit Harderwijk?» "Jawel, meneer, ik heb vacantie van mijn dochter gekregen."

Maar daar niet van.... Jan Geleynse heeft het best bij zijn kinderen en Harderwijk is een lief plaassie. Veel ken hij niet meer lopen, maar ’t is temee toch wat stillerig in zo'n dorp.

Ja, Jan Geleynse vindt Rotterdam mooier, want hij ziet liever een schepie varen op de Waterweg, dan
een bottertje op de Zuiderzee of een palingrokerij. Ik moet Jan Geleynse ........ maar dat is verdikkie zijn administratieve naam op de Burgerlijke Stand en hij heette en heet nog in de Rotterdamse havenbedoening Jan Tegen-Dek. Zo kennen ze hem hier en ik kan net als iedereen alleen maar van Jan Tegen-Dek spreken.

Dat komt zo: die ruimen moeten stikvol tot er geen pereplu meer bij kan en dan zei Jan: het goed mot tegen dek an gestouwd worden. Uitvloeren is minder zwaar, maar 'Tegen dek! " luidde zijn bevel, dat op zin voor efficiency berustte en dat hij zó vaak herhaalde,' dat zijn naam voorgoed Jan Tegen-Dek werd.

Wij houden van bijnamen in 't Havenbedrijf. Daar had je die hoofdbaas..,... hoe hij heet, weet ik ook niet....maar omdat hij in 't jachtige bedrijf vanzelf zo'n haast had, lag het "damned quick” in zijn mond bestorven en hij heette meteen en voor goed "Demt Kwiek".



Jan Geleynse, alias Jan Tegen-dek, (1926), zoals deze bij toeval in het privé-fotoarchief van Dr. Jan Backx werd aangetroffen.

Maar wat ik zeggen wou.... ik moet Jan Tegen-Dek gelijk geven, dat het een akelige bedaarde beweging is in Harderwijk met 's zomers om d'andere een koei en een vacantieganger in de uiterwaarden en 's winters helemaal niks. En dat het....da's duidelijk is 't niet waar?... wat vreemd aandoet om als opperhoofd van zo'n leger van allegaar zwarte overmoedige krachtpeeërs van Rotterdamse bootwerkers ineens overgeplant te zitten in 't vredige klokkengeroep van zo'n dommelig stadje met rondom de vrome vrouwtjes onder stijfgefriseerde kanten mussies op d'r lui witte gezichies. Zeg U nou zelf.

Rechts: Jan Geleynse, alias Jan Tegen-dek, zoals deze zich in 1952 voor dit interview meldde bij de auteur.

Jan Tegen-Dek kan nou alenig bij de smid langs gaan als hij nog eens wil horen hoe ijzer op ijzer klinkt en dan had je 'm vroeger moeten zien staan in 't werkgewemel op zo'n schip en bij 't gerommel van kettingen, die zij nog in dat drijvende houten huissie in de Zalmhaven op hoples hadden moeten opschieten bij 't licht van die snotlampen want anders had je niet.

Maar wat zoek was most je zelf betalen. "En da's wel goed, meneer, om je zorg voor je spullen te leren.

Nee, Jan Tegen-Dek had gestaan tussen de blazende machinerie met de metalen rammel van alles wa
t daar hurry-up mee neergelaten en opgevierd wier. Rondom lagen sleepboten in de troebele slobber van het water stoom af te sissen, dat je de eksterogen in je oren kreeg. En de lucht dreunde er altijd van het Titanengeluid uit de gorgels van de zeeschepen. Ais je dan tussen de balletjesfranje en 't blauwe horretje Harderwijk zit in te kijken, naar de duizendschoontjes in je tuintje wanneer 's middags de geit van Sännet je van Mannus begint te mekken ais 't enige geluid, dat er dan in die wereld bestaat, dan denk-ie vanzelf weer aan 't tumult op de kaai en de steekwagentjes, die daar toen rondroffelden want van vorktrucks etcetera meer hadden wij in onze tijd geen weet.

Jan Tegen-Dek wou maar zeggen, dat-ie 't fluitje van de bootsman nog hoorde en op z'n tijd het gemopper van het werkvolk, waar dan ........ onder die losse he? ......... toch ook wel een schrabberzootje tussen zat. Dat kan je geloven, meneer.

Maar Jan Tegen-Dek zit nu hier in z'n piekfijne blauwe pak en z'n gouwen horlogeketting dwars over z'n buik, die er tegenwoordig ook best wezen mag. Zo zit 'ie dan, 'k geloof heus een beetje grozig hè? in 'n kantoortje van het gebouwencomplex aan de Keilestraat, waar 't allemaal van glas en proper  schilderdmetaai is.

Hij vertelt van vroeger.

Als daar nou iemand het recht toe heeft, dan is het Jan Tegen-Dek. Sinds 18 jaar gepensioneerd en 45 jaar in dienst van het bedrijf geweest en zo reken je dan uit, dat die ouwe een eind in de tachtig moet zijn (maar ook dat hij al in 1889 in dienst getreden is van Thomsen - Red.)

Ik verdacht hem niettemin, dat hij bij dit gezegende lenteweer op de fiets uit Harder- wijk was gekomen. Maar dat was niet het geval. De Duitsers hadden ook zijn fiets afgenomen. Daar was hij eerst wel een beet je krevelig van geworden, maar hij was toen 75 en an mijn lijf geen nieuwe fiets meer, had ie gezegd. Dit fietsloze tijdperk heeft nu ook al tien jaar geduurd. En zo is hij nu 85. Boordevol herinneringen. En dan merk je hoe deze eenvoudige medewerker dit bedrijf en zijn werkgevers heeft lief gehad en er nog met een nauwelijks verheimelijkte vertedering aan denkt.

Toen hij op 65-jarige leeftijd gepensioneerd moest worden is hij echt kwaad geworden en heeft dat trammelant gegeven. "Dat neem ik niet" had hij gezegd "ik ben veels te jong" "Dat gong verkeerd, hè?"

Maar d' ouwe heer Backx had gezegd: "Alla, Jan, spoeg maar eens uit."

"Want ik ben om zo te z
eggen met meneer Backx grootgebracht. Heb ik zien kommen, Afijn, ik heb ten slotte wel begrepen, dat het beter was, als ik maar gong, maar ik heb er hartzeer van gehad. 't Was vroeger zo'n gezellige tijd... veel gemoedelijker dan tegenswoordig.

Wij bazen, hadden zeggenschap over die gasten en 't was plezierig werken."

Ja, al zei Jan Tegen-Dek het zelf: '"t Was poot an speien van 's morgens vijf uur en nog vroeger ook en 't gong wel eens hard."

"In mijn tijd was er een andere baas, die een beetje rauw was en die had in een jaar tijd drie dooien... maar ik zocht mijn eigen volk uit an de poor!. Op een dag kon ik geen volk krijgen en ik telefoneer 't kantoor op meneer zeg ik, ik kan geen volk krijgen.

Toen zee meneer Backx, "Maar Jan. Kan jij nou geen volk krijgen", en dat was al.

Ik had er 15 nodig en we hadden nog een partij rooie kool te laaien. Wou'en ze niet.

"Als je ze eerst kookt," zeien ze. "Hee, 't was een aardige tijd... Hou ja, we gongen wel eens op de vuist, maar ik heb het toch meestal met m'n mond geklaard. Beste tijd. We hadden vaste ploegen, waar je plezierig mee werkte met da-gen van 7 uur 's morgens tot 9 of 11 uur 's avonds. Vijf-en-twintig centen per uur was toen gewoon."

"Ja, dat zal zowat omtrent 19O0 zijn geweest'. Bij grote stakingen had Jan Tegen-Dek persoonlijk zelden last. Soms dorst hij zelf ook niet te werken. Je moet rekenen, toen er bij Swartouw een was blijven werken, hebben ze z'n vrouw afgerammeId.

"Da's niet netjes", zei Jan Tegen-Dek en ik kan het beamen. Daarom gingen er bij zulke gelegenheden heel wat vrouwen en kinderen naar Zeeland, waar zij veilig waren. Maar het was een plezierige tijd en dat scheelt een boel. Tja, onder de losse had je er tuig bij, dat het meer dan verschrikkelijk was."

"Hebben we 'n boot leggen aan de Schiehaven en die most 's Zaterdags varen. Dus: doorwerken en eten meebrengen! 'k Bestel ze terug, maar ze wilden niet werken. Ik zeg : "wat nou jongens?"

Ondanks dit argument, dat van geschokt vertrouwen rept, verdeiden ze het.

"Maar hun hadden geen eten meegebracht en ze zeien: We hebben geen freten. Ik zeg nou anpakken....Schaften we om 2 uur en ik betaal je tot vier ..... is dat dan goed?

Niks hoor.

Onder: Meneer Key (1926)

Maar Jan Tegen-Dek hieuw ook z'n mond niet. "Er was toen zo'n bootsman, die m
e graag mog, Jan van Zanten en die zee: Bel meneer Key op. Ik telefoneer het kantoor op en meneer Key zeit: "Jan ben je bang?" Ik zee ikke niet. "Nou die boot mot varen," zee meneer Key. "Ik weer na dat volk toe: "Jullie staan maar te klessen. Je had allang kennen beginnen."- "Als je ons freten geef zullen we 'n t doen.
"
"Toen nam ik ze mee naar het schaftlokaal....hallefie brood de man... ene keer in de lengte en ene keer in de breedte doorgesnejen - boter, worst en koffie. En m'n boot is op tijd gevaren. Dat is een prettige tijd. Daar had je als baas zijnde piezier in. Ik kende m'n mensen."                                                                                "Maar nog een keer, na 'n staking, wil ik naar m'n dochter gaan, die pas getrouwd was en daar kom ik op het Vasteland drie bootwerkers tegen: 'Willen wij jou nou 's verzuipen?...pot hier en gunter wijd en nog veel wijer. Daar was Lou
Zonder-Jas bij, ' ‘n druif meneer.... en ene- Visser .....die dat volk altijd opstangen.... en omdat ik hun had laten staan bij 't aanwerven, zeeën ze: Nou ga je der'in.

Rechts en onder: “ene” Visser (1925)

Wilden ze miijn v
an 't Vasteland in de Schiedamse Singel gooien. Ja, dat wier erg hoor ! Afijn m'n jas is nog te water gegaan, maar toen er mensen omheen kwamen staan, ben ik er op tijd tussen uit kennen trekken. Dat was toch een beste tijd. Je kan zeggen wat je will'. ‘k Heb heel wat van die ouwe bazen gekend. . . en van die lauwe ook.. . . o, genoeg hoor....... Er is dan ook nooit veel van terecht gekomen.

Willem de Frisse hebben ze 'n been afgezet.

"Een ongeluk gehad?"

Maar Jan Tegen-Dek had zijn diagnose al gesteld.

"Nee, aderverkalking van 't leven!"

"Mot er op een Zaterdag zo'n granenboot werk voor Willem..... nou ja, hoe die heet doet er niet toe ...... die was 't er niet. Ik vragen bij zijn vrouw, waar Willem bleef. "Die is lazerus, zeit-ze, zeg maar aan Thomsen, dat ie niet komp."

"Wat d
oe je in zo'n geval, Jan?"

Links: Dirk Leukie (1925)

Dirk Leukie een andere baas er na toe sturen en dan leit de ouwe baas eruit....maar ja, dat soort mensen kwam er immers niet. Ene Gerrit heeft ook een beroerte gehad."

"Hoe kwam dat zo?"

“Van 't uitgaan." Ik heb dat soort "uitgaan" goed begrepen en de akelige gevolgen ervan dan ook niet toegeschreven aan dauwtrappen, wat tussen twee haakjes, ook maar een Rotterdams prozaïsche benaming is voor een wandeling in de mijmerende uchtendse schemering.

“Over welke tijd praten we nu?”

“Ik denk tussen 1900 en 1910.”

Plotseling komt er zo uit het werk, een baas binnen, die onmiddellijk een vrolijk gezicht zet of er in een trieste straat ineens een draaiorgel begint te speien. "Kijk nou eens, daar hebben we Jan Tegen-Dek." Er volgt een handdruk  die geen versleten gebaar is, maar een echt genegen begroeting.

"Hallo, Jan, hoe gaat het?" “Mijn gaat het petent."

"Goeie praat" zegt de grijs geüniformeerde baas

"En moggie weg van je dochter?"

"Ja, ze was blij, dat ze me kwijt was."

“Enne …he…smaakte dat nog?"

Even 't wippende gebaar van een hartversterkend teugje, zoals dat zo'n deugd kan doen aan dek van een boot in de winterse sneeuwvlagen. "Smaakt dat nog, Jan?1'

“Ga best!"

Rechts:  na tientallen jaren weer een ontmoeting tussen oud-gedienden (bazen onder elkaar 1952)

Wanneer na deze "Vluchtige Begroetingen" die baas dan weer in galop z'n functie gaat vervullen, kan Jan Tegen-Dek weer eindeloos doorpraten over die prettige ouwe tijd, die nooit terugkomt. Nooit meer.

"'t was werken. Van vroeg tot in de nacht. Mijn kinderen kenden d'r vader niet. Vanzelf. Die waren nog niet wakker, als ik de deur uit gong en ze sliepen weer als ik thuis kwam en 's Zondags was ik ook niet altijd vrij. Maar hoe gaat dat nou. 't Werk gaat voor en mijn kon het niet schelen."

"Meneer Backx ...... d’n ouwe dan zo zeit op een keer legen mijn, Jan zeit-ie je moet eens een vrije avond nemen. Komt je toe."

"Ik zeg, da's goed." "'t Was toch al laat voor 'k an de poort kom en toen loopt er een me na: Jan, die schipper wil niet verhalen."

Ik weer terug, he? en ik lag net zo lang met die schipper te harrewarren tot ie verhaalde en toen was mijn vrije avond om. Meneer Backx heb het niet eens geweten. En ben ik er slechter van geworden?"

"Je gezondheid zeker niet Jan."

"Zo is 't maar net, meneer..Hoop verschil met vroeger. Wij lagen niet te darren over een uur werk."'

"En eerlijk werken. Daar was ik streng op. Ik had nette, eerlijke mensen onder die los-vaste, die ik zelf uitzocht. Maar dat soort ben d'r nog wel, Bi
j mijn wist ieder z'n werk. Ik hoefde niet te zeggen, jij dit en jij dat. Ik had mijn vaste buitenboord-gasten en die gingen op hun plaats staan. Had ik geen koeien of moeien mee.

Ja ..... als ze een bananenboot moesten lossen”

"Wat dan?" "Eten!"

rechts: Bananenoverslag 1929

't Is dan ook naar de mens gesproken wel verleidelijk, als je honger krijgt en in een luilekkerlands Pisang-Paradijs staat, om er eens eentje tot je te nemen. Me dunkt dat daar de conclusie getrokken werd van…nee, nu bedoel ik dat Jantje meende, dat z'n vader geen 5 - 6 pruimen misten aan een
volgeladen boom.

Wat maken in een volgeladen boot 5 – 6 bananen uit, als je in zo’n scheepslading werkt.

Persoonlijk ben ik voorstander van alle eerlijkheid maar ' t lijkt me een groot verschil of je van twee dingen er een wederrechtelijk wegneemt of 5, 6 op de ongetelde honderdduizenden.”

Ik kon me begrijpen, dat Jan Tegen-dek daar niets aan doen kon.

“Maar, zei Jan "er werken soms wel over de 200 man op zo'n bananenboot" en liet mij verder met mijn verschonende gedachten tamelijk raar zitten.

De Rotterdamse haven is een prachtig en na de vernieuwing van 1945-49 zelfs hypermodern apparaat.

Maar het is waardeloos, wanneer de mens het niet tot leven brengt. En als die mens dan eerlijk werkt en nog "demt kwiek"  ook, ' dan zijn dat reeds twee hoekstenen van heel het Rotterdamse havenbedrijf. Daar is de reputatie van Rotterdam mee gemoeid.

Maar Jan denkt daar niet eens bij. Hij vertelt van z'n bananenboten. Die most je............ "afscheren", dat wil zeggen, die mag niet voor de wal blijven liggen. Dan zetten ze een balk tussen de boot en de kademuur. Die balk steunt met een ijzeren plaat op de stenen van de kade '. Om de huid van het schip niet te beschadigen past de balk in een blok, dat tegen de scheepswand staat.

Nu kunnen ze die balk van de kant af wegnemen als 't schip gaat varen, maar - dan zegt Jan, "moest er iemand van ons aan boord blijven om dat blok op te halen.

Meteen vuit een ander het verhaal aan: En dan moest JanTegen-Dek met z'n blok op de kant gezet worden en toen hij allang over de 60 was ging hij op 't blok staan, dat de kraan over het water op de kant zwaaide. Dan zagen we Jan door de lucht cirkelen en dalen met maling aan alle Stuwadoors Veiligheids Besluiten.

Dan lacht Jan Tegen-Dek een stille verkneutering weg als een kattekwaad-knulletje: Ja, 't moch nie, maar ik dee het.

"En toch is Jan Tegen-Dek een wijsgeer, die zo op z'n
herinnering heeft zitten broeien, daar in Harderwijk, dat er allemaal gedachtenkuikentjes uitgekomen zijn. Hij heeft ze zo maar voor ' t grijpen om ze de wereld vergenoegd te tonen.

"Nou had ik met dat pensioeneren nogal de pest in, hè, maar de heren hebben me eerst een mooie zeereis laten maken, met de Arion van de Neptun-Lijn."

"Waar ben je heen geweest?"

"Naar Spanje ...... Barcelona, Valencia, Malaga en toen naar Liverpool."

Ik stelde me in gedachten Jan Tegen-Dek al voor in de Myrthen-hof van het Alhambra, waar de Comtesse de Noailles haar jonge liefde liet spiegelen in de vijver. Wellicht is het hem tegenge
vallen, dat er zelfs geen klippertje in ronddreef. Wellicht ook geeft hij aan zijn kamertje in Harderwijk de voorkeur boven het Boudoir van Lindaraxa. Maar dat een pas gepensioneerde hoofdbaas van Thornsen's Havenbedrijf zich meer thuis voelt op een Kolenboot dan in een moskee is ten slotte niet anders dan het gevolg van een leven, dat geconcentreerd bleef op zijn wereld, zijn arbeid, zijn rechtschapenheid. Het is een schoonheid van een andere orde.
Hèm ontroerde het nu weer oprecht dat Kapiteln Berg van de Arion ook net precies zijn laatste reis maakte voor de Neptun-Lijn en zijn schip en de ongemeten oneindigheid van de wereldzeeën moest prijs geven. Net zoals hij zijn dagelijkse taak vaarwel zei, op afgemeten strook grond van de Kaden en aan boord van zijn schepen, die in de vliegende zuidwesterstormen over Rotterdam alleen maar op de kreunend-gespannen kabels lagen te rijen.

Thomsen's Havenbedrijf heeft de mensen, die ervoor werkten met heel dat wondere samenstel van kracht, verstand en welgezindheid, zoals het hun geschonken was, weten te waarderen, onverschillig op welke plaats zij waren gesteld. In de jongere generaties der leiders is het sociale besef, dat hun tijd deed ontwaken, altijd weer verder uitgegroeid. De voortschrijdende begrippen van menselijkheid en menswaardigheid hebben bijgedragen tot verhoging van het levenspeil en dus van de beschaving dergenen, die vroeger in de verwording van de krioelende massa te gemakkelijk konden verongelukken.

Jan Tegen-Dek is altijd geweest de betrouwbare, eerlijke, eenvoudige, die alleen maar verlangde om zijn plicht te doen, die toen moreel boven anderen uitkwam en baas werd. Het is geen wonder, dat hij bij zijn pensionering sputterde: dat neem ik niet. Het is ook zo vreselijk moeilijk om zelf te bepalen, wanneer je het werk, dat je lief hebt, aan een ander moet overaten. Aan een ba-neus! Want iets anders is het immers nooit.

Jan Tegen-Dek, je hebt je toewijding ook tot tegen het dek van je leeftijd opgestapeld. En of je thans je ledigheid zat te betreuren in Harderwijk, of in New York of in Rome, het zou geen verschil maken. Je bent het misschien wel prettig gaan vinden om niks om handen te hebben en 't Harderwijker Nieuwsblad van eergisteren te gaan zitten lezen onder een bloeiende kastanjeboom of 't knijnen-hokkie te verven of de gevallen blaren aan te harken, zodat je tuintje er op Zondagmorgen net zo netjes beredderd bijligt als de metoren van de binnenschippertjes in de Wijnhaven van vroeger.

Misschien is dat allegaar helemaal niet zo onplezierig. Maar dat je 't bedrijf allenig moest laten en dat jij, die er een rol in gespeeld hebt, waar ze nog over praten, daar nou niet meer verwacht werd . . . ja, dat was het belabberde waar je via Valencia overheen moest. En die weerlagse bedrijven blijven toch maar groeien, of je 't verknoersten kon of niet. Met die gedachten, Jan Tegen-Dek, lopen er honderdduizenden doelloos hun hondje uit te laten. En zij, die vandaag-den-dag zo sakkerjuus onmisbaar zijn, zullen je lot deien in een heel verre toekomst, maar die in sneltreinvaart nabijkomt. Zo werkt de wereld maar staag voort.

De ouwe dag van Jan Tegen-Dek was er immers ook voor ie er erg in had. Maar z'n geheugen is nog prima, want hij heeft eigenlijk heel duidelijk uit de doeken gedaan, wat er bij hem nog van vroeger bekend was.

"Dat is
begonnen met het laden en lossen van zeilschepen en d'n ouwen Heer Piet Thomsen had voor dat werk een ploeg van aoht man, die ze de Gouwen Ploeg noemden.

Waarom zij dat een gouden ploeg vonden is mij nog niet duidelijk geworden. Het zal wel geen toespeling inhouden op de munt, waar in de arbeidsprestatie werd betaald, al ging het gezwoeg ook dag en nacht door met een ongeregelde of eigenlijk helemaal geen dagindeling. Wie de gemengde berichten uit die tijd naleest begrijpt wel, dat er meer ongelukken dan goud over die toenmalige bootwerkers nederdaalden. En toch ging het met de "sukkel winch", die, zoals Jan Tegen-Pek ons weet te verteilen: "met de hand bewerkt moest worden”. Daar stonden vier man aan de slingers te draaien om de lading aan dek op te leveren. Maar ze moesten ook de zeilen te drogen zetten en opbergen en als ze later 't schip weer gelaaien hadden, moesten ze het weer optuigen en zeilklaar maken voor de uitreis".

Hiermede heeft Jan Tegen-Dek meteen een duidelijk beeld gegeven van wat in 't begin van de zeventiger jaren van de vorige eeuw een "scheepstuig-aannemer" was, een beroep, waarvan het huidige geslacht geen begrip meer heeft. In de geschiedenis van Thomsen's Havenbe
drijf wordt het genoemd als te zijn beoefend geweest door Peter Thomsen, die zich associeerde met de expediteur P.P. Röpcke en zo de firma P. Thomsen & Co. in het leven riep, o.a.: "tot uitoefening van de bedrijven van optuigen, laden en lossen van zeeschepen".

"Voor 't opbergen", vervolgt Jan, "van de gereedschappen had hij" (hij - want er bestaat voor Jan alleen Meneer Thomsen) "had hij in de Zalmhaven een lichter leggen met een kantoortje er op om zijn volk uit te betalen. Als enige stut en steun bij de leiding van dit bedrijf beschikte de firma over één voorman of baas, ene Martinus van der Ven".

Later kon ook de zoon van Piet Thomsen zijn jonge krachten en zijn enthousiasme er mede aan wijden om de zaak vooruit te brengen. Dat lukte ook, dank zij tevens een gunstige conjunctuur in verband met de ontwikkeling van de stoomvaart. Jan weet dat heel goed: de stoomvaart is hard toegenomen en de zaak is hard vooruitgegaan en meneer Thomsen heeft hard gewerkt.

Gedurende mijn gesprekken met leiders en arbeiders van Thomsen heb ik nooit anders gehoord, dan dat bekende Rotterdamse geluid, dat werkgevers en werknemers wederkerig elkaars harde, moeilijke arbeid prijzen. Van al die grote Rotterdamse bedrijven, die een wereldhaven hebben gecreëerd kan ditzelfde met enige eentonigheid worden herhaald.

"Toen heeft de firma al het erts van de "firma Krupp in handen gekregen" vervolgt Jan. Met dezelfde regelmaat waarmede de buffeis van Saidja's vader werden afgenomen, ontving integendeel de jonge firma P.Thomsen & Go. even gestadig haar opdrachten: "en de graanschepen van de firma SolleveId en van der Meer… toendertijd van de Zwarte Zee ... en de wilde vaart van de firma Buys en al het werk van de K.M.S.M. en van de Neptun uit Bremen".

Expansie kon niet uitblijven, zij het ook, dat deze in ons oog, gewend aan de verhoudingen van tweede helft 20e eeuw, beminnelijk bescheiden was. Want van de lichter, die daar in de smurrie tussen de ouwe matrassen en de dooie honden in de Zalmhaven lag, verhuisde de firma naar de vaste wal van het continent Zalmhaven. En daar, aldus Jan Tegen-Dek: "heeft hij ontzettend hard gewerkt met als hulp de Heer Fekkes, die hij in dienst heeft genomen om dan 's morgens om zes uur op kantoor te zijn om het werkvolk aan te nemen en dan verder tot 's avonds laat het werk af te gaan met een sleepboot. Want dat wier het meest uitgevoerd op de Maas, zogenaamd "aan de boeien", want aan havens hadden we alleen Spoorhaven en Binnenhaven en dan het Entrepôt en dat was alles. Natuurlijk is het bazenpersoneel erg uitgebreid".

Dan noemt Jan hun namen nog op: Hein van Dintier, C. Manse, W. Tertoole, Piet van der Eist en later Willem de Vries, Gerrit Schools en Willem de Boer.

Onder: W. Tertoole (1933)

Mag ik d
an op eigen initiatief een leemte aanvullen door hier baas Jan Tegen-Dek aan toe te voegen, die, dacht ik, in dit rijtje gerust vooraan had mogen staan.
“Maar nou komt er toch effetief expansie, waar we niet goeiig om glimlachen met één mondhoek. Toen is
er op de Zalmhaven een nieuw kantoor gebouwd. Da' zal zowat 1895 geweest zijn, als ik 't wel heb, en daar is de Heer Thoenis op kantoor bijgekomen en ook de Heer Key. En toen is het werk bar hard toegenomen en zijn er ook meer havens bijgekomen, Rijnhaven, Maashaven, Eerste en Tweede Katen- drechtse Haven en ben d'r op grote schaal meer personeel en bazen aangeschaft en heeft P.Thomsen & Go. opgehouwen te bestaan. "

Dit onverwachte einde van zoveel arbeid onthutst me even. Maar Jan knijpt wat fijne rimpeltjes om z'n lachende ogen en geniet van de apotheose, die hij als geroutineerd redenaar plotseling oproept: “Toen is het in 1911 Thomsen’s Havenbedrijf geworden.

Niettemin sleurt hij me weer mee omlaag, want Jan Tegen-Dek verliest de moeilijkheden niet uit het oog, die zich bij voortduring bleven voordoen.

"Het lossen en laaien was niet zo erg gemakkelijk, omdat die tuigazie op de meeste boten niet geschikt was om overboord te werken en mos er al 's dikkels een draad met blok buiten op de lichters bevestigd worden om de hijs buiten boord te hiefen en kranen op de wal was ook tobben. Vroeger in de Spoorhaven most er alle hens an te pas kommen om een kraan te verplaatsen. Later zijn er electrische kranen gekomen maar die most je ook met de hand verplaatsen en dan hadden ze een vlucht, dat ze maar net percies op de boot in de ruimen konden werken. Zo hebben wij dan die jaren weg moeten tobben, wat wei eens stagnatie opleverde. Maar de Heren Th
omsen en Key hebben de zaken weten op te werken".


Jan Key (1924) - medeoprichter Thomsen’s Havenbedrijf


Een oude, rustende bootwerker geeft ons een merkwaardig beeld van de tijd, waarin hij jong was. Tijdsbeelden zijn van grote waarde voor het begrip der historie. Kunstenaars en historici! hebben vaak getracht het verleden te reconstrueren en hun werken zijn vaak minder pregnant, dan dit maar monter voortvloeiende relaas. Wij begrijpen, wat het leven is geweest van een Peter Thomsen. Wij zien het sappelen van een zekere meneer Fekkes of een Thoënis of van Jan Tegen-Dek zelf, die in de zwijgende stoet der voorbijgegane geslachten onbesproken zouden zijn vergeten, Het zijn gestalten, die, gedreven door een onbegrijpelijke maar dwingende noodzaak, gewerkt hebben aan de grootheid van de Rotterdamse haven. Een atoom van hun reputatie zit in het kolossale volume goodwill van Rotterdam. Men kan zich met de Existentialisten afvragen, of het bestaan in wezen zinloos is, terwijl er toch een zinvol geheel van gemaakt wordt door hen, die op bepaalde plaatsen en in bepaalde tijden werkten aan een toekomst, die zij onmogelijk konden peilen. Een mysterieuze intuïtie voert de mensen tegen een berg op, die zij zelf al maar hoger opbouwen.

"De Heren Thomsen en Key” gaat Jan weer verier, "zijn voorstanders geweest van de graanelevator, die er ook door die graanelevator-maatschappij ingevochten is moeten worden. En toen de Maashaven er was, heeft meneer Key het plan opgeworpen om daar een opslagplaats te nemen met grote laadbruggen om de ertsboten en de kolenboten mee te lossen en ook te laaien. In die tijd is meneer Baokx gekommen en is meneer Thomsen zijn rust gaan nemen en hebben de heren Key en Backx als directeuren de zaak zo hoog opgewerkt, dat ik kan wel zeggen, alsdat het de grootste zaak is geworden in Europa. Ze hebben ook meer beschaving onder het bazenpersoneel weten te brengen, zodat het hele bedrijf op het goede peil is gekomen. En als je mijn vraag is het nou de vertrouste firma van heel Europa".


Zelfs Jan Tegen-Dek, die zowat in I867 zal zijn geboren, heeft niet alles uit de begintijd van Thomsen's Havenbedrijf meebeleefd, maar als een goed historicus geeft ook hij zijn bronnen aan:

"Hoe ik dat nou allemaal zo weet van dat oprichten van d'n ouwen Thomsen, dat zit zo: Al die ouwe luidjes, die toen nog in die gouwe ploeg gewerkt hadden, zijn in het pakhuis aan de Zalmhaven te werk gesteld. De oudste als pakhuisbaas en de anderen dee eh daar stroppen splissen en zoals ik al zei bij het licht van die snotlampen, dat je neusgaten en je oren dichtzaten van de roet. En d’r was altoos wat te rippereren aan die graanmanden, want vroeger moesten die granenboten met de hand gelost worden en als wij dan ook wel 's niks te doen hadden, dan vertellen die luidjes van hun vroegere werk en zo wist ik percies hoe dat gebeurde."

Toen stapte Jan Tegen-Dek in de auto, die hem naar zijn familie in Overschie zou brengen. Ik heb hem dankbaar de ouwe Rotterdamse hand gedrukt, want mijn eerste interview met een bootwerker was afgelopen. Het gaf me de zorg om dat allemaal technisch zo juist mogelijk te gaan opschrijven.



Vandaag zit er voor het eerst van mijn leven een volbloed Rotterdamse bootwerker bij mij thuis in mijn werkkamer tegenover me. Jan Tegen-Dek ontmoette ik in het milieu, waaraan hij was ontsproten en achter de vensters van 't bazenverblijf stonden de zwarte, strakke silhouetten van scheepsmasten en het bewegelijke fili grain van de kranen. Daar rikketikte de wielerende machinerie in de flonkering van de lentezon.

Wessel Kamphuis zit hier, met als achtergrond een boekenkast. "Al wat in de boeken staet is om dit hoofd gevaeren", dacht ik, met een kleine variant op van Vondel. En naast dat hoofd, waarin de ogen zo spottend glimmend flitsen, zie ik dat boek staan van Mr W. C. Mees "Man van de Daad". Het is toeval, dat ik Kamphuis niet los kan maken van die "Man van de Daad".

Het gesprek was nog geen minuut oud, of ik wist, dat hij een man van daden was maar één, die naast zijn daden zijn woordje, zijn prevelement, niet veronachtzaamde.

Hij stak het niet onder stoelen en banken, dat hij, jong nog, bootwerker was geworden, net als zijn vader toen ook was, in een tijd, waarin het recht van de sterkste - lichamelijk sterkste wel te ver
staan - een der stutten was; waarop het. welslagen van dat beroep berustte. Een tijd ook, waarin een paar in moedeloosheid binnengeklokte borreltjes voldoende waren om een beste vent, waar je als maat in goeie kameraadschap mee gewerkt had, tot gevaarlijke vechtlustigheid aan te hitsen. Dan kon je dat niet ongedaan maken door te zeggen: Luister eens hier, amice nee, dan most je ... e ... nou ja, wat anders zeggen en hem een haal voor z'n je-weet-wel geven. Ja, ik weet wel, da's niet prettig. Maar iets anders kon je niet doen.

"Meneer, in wezen heb ik een grote hekel aan rauwigheid en aan vloeken. Daar zoek ik ook mijn kracht niet in. Maar voor dat er een bootwerker met een kwaaie dronk naar je luistert, moet je de taal spreken, die zo'n man verstaat en da's wat anders as dat er op de naaikrans Dorkas wordt gesproken.

"Kijk 's, ik ben daar in Zuid aan de Rijnhaven geboren, waar nou "de Eersteling" staat en waar we toen in 't weiland speelden. Ik ging op school bij Meester Piet van Bokkel en wij noemden hem natuurlijk Bokkie, want U zal het wel merken, dat wij in 't bootwerkersbedrijf de mensen 't liefst met bijnamen noemen." Ik had het via Jan Tegen-Dek inderdaad al gemerkt.

"Bokkie had een openbare lagere school, maar ‘t was zelf een echt plattelands christelijk dorpsschoolmeestertje. Eens per jaar was er openbare les, als de hoogste klas van 't school afging en dan liet hij ons een liedje zingen. Ik ken het nog uit mijn hoofd :

God zij met U!

Wie deze wens U meegeeft als een bee,

Hij geeft U 't beste wat hij heeft

In 's wereld wel en wee.

Toen ik op mijn twaalfde jaar van 't school ging, vroeg Bokkie mij, wat ik worden wilde, Ik zei : Matroos, da's m'n vader ook geweest," Dat was dan het begin,

Bokkie had hem lezen, schrijven, rekenen geleerd en een bee meegegeven. Die kon hij alle vier gebruiken als levensingrediënten op zijn weg door de wereld en dan vanzelf door het wel en wee daarvan.

Er waren behalve zo'n "bee” nog wel dingen, die ook te pas hadden kunnen komen, maar Bokkie had A gezegd en tot slot bee, als 't beste, wat er dan toendertijd aan wetenschappelijke bagage aan die jongens werd medegegeven, terwijl toch Kamphuis iemand was, die de boel wel van A tot Z wilde weten. Maar goed, daarin is hij zelf ook zonder Bokkie op z'n eentje tamelijk aardig geslaagd.

"M'n vader was zeeman in kart en nieren, maar die heeft ter wille van moeder een job aan de wal genomen".

Kamphuis is ook gaan varen. Op een Maassluise haringlogger.

Ik ken de zeillogger uit die tijd van eigen ervaring, omdat ik er voor de Nieuwe Vlaar- dingse Courant mee uitgeweest ben ter haringvangst, zij het iets later dan Kampkuis. Ais je 's morgens in 't achteronder kwam, waar de bemanning sliep, kon je de atmosfeer met je zakmes in kubieke bonken snijden. Je koorde 't stinken: Dat was ook de ervaring van Pierre Loti, die in Pêcheur d'Islande dezelfde verzuchting slaakt, maar er aan toevoegt, dat ze overdag lucht genoeg voor de dag-en-nacht kregen.

Het leven was er moeizaam en droefgeestig, vooral wanneer 's nachts zo'n roerganger maar melankoliek zat te zingen, op weg van Lerwick. . . . . als eerste en laatste haven om nog eens naar de kerk te gaan en half-zat aan boord terug te komen... op weg van Lerwick, zei ik, naar die visgronden in de buurt van de Par - O'er.

En toch had Kamphuis mirakel geluk, omdat ie op een zeillogger kon aanmonsteren, "want je mot rekenen", zei-hij, "dat die verrekte bommen er nog waren".

Hij heeft gelijk,Want ik heb óók nog eens met een Scheveninger bom gevaren en toen de sleepboot, die hem naar buiten moest brengen, vastmaakte, riep de Kappie: "Leg '
m d'r voor mijn part maar met z'n kont of overdwars voor, want die krengen bennen toch vierkant."

En zo was dan het eerste geluk in zijn leven gekomen. Ik zal U de details van zoveel kindergeluk besparen. Maar als Kamphuis binnen was, en dat is niet een aanduiding van zijn maatschappelijk welvaren, dan ging hij, als vader's enige zoon de haven in, waarvan hij het bedrijf immers allang doorhad. Want Kamphuis was een bijdehand vent je. Hij is er nu 63 en het leven liet hem geen knulletje maar wel pienter blijven, Pienter is niet eens het woord. 'Wanneer Kamphuis had kunnen studeren, zou hij in iedere tak van bedrijf een leider hebben kunnen worden, Het jochie is een man geworden met een groot verstand en een natuurlijke rechtschapenheid.

Weinige uren waren voldoende om mij deze, van huis uit weinig verwende Rotterdamse bootwerker te doen zien, als een achtenswaardig man. Hij kent geen sluwe diplomatie. Hij is een vent, vierkant, fel en waarachtig. En of hij nou met Prins Bernhard,... wat 'm ook al eens overkomen is ... of met de  Burgemeester of met z'n patroon of met z'n politieke tegenstanders of maar met zo'n pennenlikker als ik praat: hij is Kamphuis, oprecht en eerlijk, die voor de duvel en z'n moer niet op zij gaat. En als hij ging passagieren, was hij niet overgeleverd aan de exploitanten van huppeltenten en slokkieszaken en aan de welgezinde meiden, die zijn gage en z'n vrolijkheid best hadden willen delen.

Hij zit daar voor me als een figuur, die me na een kwartier met belangstelling vervult. Hij steekt voor de zevende maal z’n pijp weer aan, omdat ie bij het praten altijd dooft. Hij legt z'n linkerbeen, of als 't zo gevalt zijn rechter, over de rand van de fauteuil, hij wandelt rond me heen om te acteren, hoe zo'n bootwerkersbaas het ruim inschreeuwt, dat chossamme-pot-hier-en-daar die baal in de weg leit en niet beschadigd mag worden.

Nee, hij vloekt niet. Heus niet. Hij zet zo alleen maar krachtige leestekens in zijn zinnen om ze voor bootwerkers duidelijk te laten zijn. Als 't zover is, zal onze Lieve Heer zijn hart evengoed verstaan, als de bootwerkers zijn verlangens, die immers alleen maar verstaanbaar zijn, als de r's erin onweren.

Kamphuis z'n vader werkte bij Drughorn en de jonge Wessel ging dan, toen al, informeren in dat bootwerkerskroegje van Opa Zwaanof vader werk gekregen had. Want waar bootwerkers samenkwamen werden altijd maar argeloos van die cafeetjes geopend.

Toen werd Kamphuis afgekeurd voor de vaart wegens z'n oren. "Je bent niet doof", had de dokter gezegd "maar je wordt het". En Kamphuis had daar, snotneussie als-ie nog was, prompt op geantwoord: "nou, jij leg mijn in m'n kissie".

"Wat bedoelie?", had de dokter gevraagd.

"Je kon me nessegoed gezegd hebben, je ben niet dood, maar je gaat dood en dat wist ik al".

Hij had een poliep in z'n oor. Vandaag de dag belet hem dat niet om te horen en dan messcherp te beoordelen wat er rondom hem wordt gezegd. Maar ja, hoe gaat dat dan? Toen volgden verkering, herhalingsoefeningen en eindelijk bootwerker worden.

Maar eerst heeft ie nog wat anders gedaan. Je had vroeger van die "kissiesmannen'. Dat waren een s
oort parlevinkers, die bier en clandestien jenever verkochten. Die laaiden bier en gingen met roeiboten door de Rijnhaven om d'r lui flessies aan de bootwerkers te slijten. Ze hadden een jongen aan boord om de lege flessen te spoelen, natuurlijk allenig maar in het water van de Rijnhaven.

Zo is hij ook begonnen. Maar omdat er geen vooruitzichten waren is hij kraantjesjongen geworden, voor een daalder, aan boord van die granenboten. Dat "kraantje" heeft niet met bier te maken. Die graanboten werden toen met de hand gelost, want de graanelevator is pas van 1904. Die winch met muds mandjes liep door en dan trok hij aan een endje touw, de staart dan zogezegd, die over 't staartblok liep om die manden op te halen. Zo is hij geleidelijk aan in het werk gekomen." "Ik had geen ontwikkeling. Alleen praktijk. Als ze me vroegen: waarom doen je 't zo? dan zei ik: verrek nou, zo hoort het! 'Ik wist niet waarom. Ik dee het. En als ze meer wilden weten, zei ik: krijg de zenuwen!"

Want dat zeien die bootwerkers altijd.

"Ik heb nog niet zo lang geleden eens voor de radio gesproken over 't havenwerk en dan mot je dat eerst op schrift inleveren, he? Toen liet ik een bootwerker zeggen: ik lach me een hoedje. Zeggen ze dat dan?, vroeg die meneer. Natuurlijk niet. Wat dan? Die zeggen: 'k lach me de zenuwen of een rolberoerte of zo ...

Nou, dan moet je dat hier ook zeggen.

Maar kon ik nou over de radio alles zeggen, zoals de bootwerkers dat tot uiting brengen? Had je wat beleefd. Ik dee !t maar een beetje liefies aan."

Enfin Kampuis is bootwerker geworden. Bij de Hellevoeters. Wat zijn dat?"

"Dat waren de bootwerkers van Piet van Koeveren & Co. Die directeur kwam uit Hellevoet en dus heette zijn volk "de Hellevoeters". Want bootwerkers houen niet van die gewone officiële namen. Zij hebben hun eigen kwalificatie. De ouwe Kees Swarttouw woonde in Delfshaven bij het bruggetje en de bootwerkers hebben alleen "Kees van 't Bruggetje" gekend. Na zijn "stage" bij de Hellevoeters is Kamphuis bootwerker geworden bij Piet Thomsen. "Maar we werden alleen betaald, als we werkten. Op andere dagen most je je per sé komen melden en dan was ‘t afwachten, of je voor een kwartje per uur werd angenomen. Als ik 's Zaterdags bij mijn vrouw kwam met f 30,- viel ze me niet om m'n nek van plezier. En als ik met f. 6,- kwam, begon ze niet te schelden, want zij rekende: jij verdient f. 13,- in de week. Dat weet ik nou allang. En als ik met f. 30,- thuis kwam, kreeg ik geen stukkie vlees meer",

Misschien was het ook wel, dat Kamphuis, gesterkt door het inzicht van zijn verstandige vrouw, tegen z'n kameraden in de vakvereniging zei: "Kijk 's, als jij voor een gulden van wat je verdient jenever wil kopen .... goed, da's jouw zaak ... mot jij weten ... al ben ik zelf geheelonthouder .... als je maar weet, dat je voor die galden dan ook niet nog ‘s biefstuk kan krijgen".

Dit was een economische theorie, gebaseerd op het motto, dat er in het proefschrift van Dr J.E. Vleeschouwer staat: "Qui dit ménage, dit calcul", maar nu ook voor bootwerkers verstaanbaar. Trouwens Kamphuis, die niet linguïstisch geschoold is, ziet duidelijk in, dat bootwerkers een eigen taal of jargon spreken, dat in het gewone Nederlands overgezet moet worden om in hun kringen te worden verstaan. Hij vertaalde de artikelen, die er met betrekking tot de havenarbeiders in de pers verschenen, werkelijk in bootwerkerstaal en dan begrepen zij het ook. Met vreemde woorden moet je ze van d'r lijf blijven,maar het is intussen opvallend, hoe goed Kamphuis ze zelf weet te hanteren.

Hij vertaalde ook nog een toespraak, die een communistische propagandist tot éen van Kamphuis' buurtgenoten richtte, toen hier in Rotterdam de Gemeenteraadsverkiezingen op til waren.

"Ja ik zag 'm staan blerren aan de overkant. Ik zeg, Moeder, ik trek effe m'n jassie an, want ik mot daar wat rechtzette. Nou ik ga daar bij staan en ik laat die gozer eerst uitpraten en toen tikte ik 'm eens op z'n schouwer en ik zeg: sjeffie ...... luister jij nou ook nog eens effe naar mijn. Ja, ik heb een beetje temperament, mot je rekenen en toen heb ik hem een kwartiertje lang onder handen genomen, waar ie niet van t'rug had. Toen heb ik hem aan z'n verstand gebracht, dat mijn straat mijn straat was en dat we daar met z'n allen op de Partij van de Arbeid stemden ...... néé vader ... mot je net bij mijn kommen".

"Ze mochten me niet altijd, hoor. Maar dat kan ik niet helpen. Wat wit is, is wit en wat zwart is, is bij mijn zwart, onverschillig wie het me anders wil ansmoezen. Och mens, laat nou mijn vrouw, die helemaal buiten de vakbeweging bleef, op een goeie keer tegen me zeggen: ik wou vanavond wel eens met je mee naar het verkooplokaal. Ik zeg, best Moeder, jij mag altijd en overal met mijn mee ... maar je heb 'n mooie gelegenheid uitgezocht, dat moet ik zeggen.

Wijn
koop en van Burink hadden die avond een vergadering met debat belegd. We zitten daar in die zaal en toen kwam er een ogenblik, waarop ik dacht ook mijn woretje te moeten zeggen. Ik laat mijn vrouw allenig zitten en toen ik het trappie van het -podium opging, brak de hel al los en schreeuwden ze met z'n allen: "daar hebbie die vuile rotverraaier! Slaat 'm z'n harsens in!"

Ik heb je al eens meer gezegd: zoiets mot je onder bootwerkers niet al te letterlijk nemen ... alhoewel .. er is daar toen 's avonds nog iemand op het toneel met een stoel op z'n kersepit gestagen, dat ie koud tegen de grond ging en z'n vrouw schreeuwend an hem stond te trekken.

D'r is me niks gebeurd, maar toen we 's avonds naar huis gingen, had m'n vrouw het finaal bestorven van de zenuwen. Zij is nooit meer meegegaan naar een vergadering. Ik had mooi praten, dat het zo nou eenmaal onder bootwerkers toeging. En eigenlijk, meneer, schreeuwden die mensen allenig hun leed maar een beet je uit. "

Toen heb ik na dat laatste zinnetje even naar buiten zitten staren en raakte ik de draad van het verhaal kwijt, want Kampkuis praatte verder.

"0, ja ... wat zei je ook alweer ... iets van een gijntje? . . .

"Ja, ais ze een gijntje maakten, was het gewoonlijk ook nogal hardhandig. Vroeger had je van die stutten in de ruimen ..... die zijn tegenwoordig anders gebouwd ..... en we erts losten en die bak moest naar boven, dan sloegen we de haak orn zo'n poot heen en kon hij niet omhoog. Dan stond die winchman voor aap. Of we legden de bak onderste boven met alleen maar een dun laagje erts op z'n onderkant ..."

“Maar waarom deden jullie dat dan?"

"Zo maar. Niks as pesterij. We waren op onze manier grappig. Dat was dat. Zo'n bak zat met drie haken vast, als hij opgehaald werd en als hij leeg terugkwam, hing hij soms aan twee of zelfs aan ene haak. Roept die winchman van boven: motten jullie 'm aan één of aan twee haken? Desnoods zonder! riepen ze terug. Die winchman, die ze hadden staan sakkerjuwen was een vent als een boom en om een gijntje terug te doen slingerde hij die zware bak zo maar met z'n handen dat ruim in. Bovenop een van de arbeiders, die meteen morsdood was. Daar heeft ie een half jaar voor op de Noordsingel gezeten en toen hij terug was, heette hij nooit anders meer dan "de Bakkegooier".

Het ging rauw en om je staande te houen,moest je, of je-wou-of-niet, zelf ook hard zijn. Nog eens een keer staan daar in een ruim een vader met zijn zoon als maats te werken. Ze maken aanmerking op de vader en dat kan die zoon niet verdragen. Die wordt zo wild van wo
ede, dat hij z'n mes trekt en er een koud maakt. Ook de gevangenis in. Begrijp je niet, dat ik voor alles vakverenigingman geworden om het bestaan van die mensen omkoog te halen?

Ja goed ... als 't moest heb ik er vroeger ook opgeslagen ..... voor ze 't mijn deeen toch sloofde diezelfde man zich, in zijn vrije tijd uit voor een kinderkoortje om die jongens en meisjes met een lief versie van de straat te houen. Daar was natuurlijk altijd geld voor nodig. Als ik bij Meneer Key wel eens wat vroeg voor een goed doel, kon hij ook vloeken, maar dat meende die man net zo min kwaad als een ander. "Jullie eeuwig en altijd met je pot-zal-mijn-pot-hier-en-daar-gebedel .... en vijf en twintig gulden en sodejeweetwel maar op! "

Maar als ik over mijn loon kwam praten stond hij me goed te woord. Die man had immers ook van alles an z'n kop en ik ben geen kostschoolmeisje, dat niet legen een hartelijk woord ken.

We gingen eens met z'n vieren kameraden 's avonds om zeven uur van 't werk naar huis. Daar was ene Piji bij. Toen die in zijn buurt gekomen was, verliet hij ons en gingen we met z'n drieën verder. Later hoorden we van z'n vrouw, dat Pijl een ongeluk had gehad en dood was, Toen komt er de andere morgen een majoor van de politie en die zee: Pijl is dood. "Heb ik ook vernomen, zeg ik" "Pijl is dood en hoe komt dat?" "Ik zeg zeker gebrek an asem."

"Ik doen U een vraag."

"Maar je mot geen krankzinnige vragen stellen. Weet ik waar Pijl gebleven is?"

Maar diezelfde Pijl laat een vrouw met 8 kinderen achter. We zeien tegen mekaar: lappen! want dat mens zat zonder centen. Nou is lappen mooi gezegd, maar wij waren gesjochte jongens voor wie een kwartje een stuk geld was. Toch ben ik met een bussie rondgegaan, maar dat vond meneer Key niet goed. Er wordt hier niet met bussies rondgegaan! zei hij. Ik zeg: geef jij dan dat mens d'r centen, want die motten er komen. Muurvast!

Nou ... verdit-en-dat zal niet gebeuren. Dan gaan ik pot-hier-en-gunter-wijd weer met 'n bussie rond. We stonden dikwijls genoeg als katten met dikke staarten tegenover elkaar. Key vloeken, maar hij heeft best voor die weduwe gezorgd. Maar best! Laat je bussie maar staan, zei hij.

Die Backxies waren heel anders. Die waren eigenlijk te bescheien voor die bootwerkerswereld.

Onder: de eerste drijvende yo-yo stukgoedkraan bij Thomsen’s Havenbedrijf

Maaar z
e hebben een donderse hoop goed gedaan. Laat ik je dat vertellen. Maar dal moch' nooit iemand weten. Enfin, daar kom ik nog op terug. En 't gekke is, dat ze nooit een bijnaam hebben gehad. En dat in een bedrijf, waar zelfs een drijvende stukgoedkraan "jojo" heet. Die staan ook administratief uitsluitend als Jojo I, II en III te boek. Zij kwamen net in die tijd, toen de jojo populair was. Ik weet niet, of je ze kent: zo'n stukkie dat aan een draad op en neer danst toen zelfs volwassenen op straat jongieren. Omdat die kraan toch ook zo vlot op en neer ging, had de bootwerker met speelgoed, met zijn humoristische kijk op menselijke eigenschappen en dingen 'm dadelijk jojo genoemd. Dit is zo ge- bleven, maar allenig bij Thomsen's Havenbedrijf als een typisch voorbeeld van bedrijfsjargon.

Het behoeft geen verklaring, waarom iemand "de Gele" werd genoemd, maar het is voor de outsider minder evident, waarom de bootwerkers, die bij Thomsen waren aangenomen, zeiden, dal zij voor "meneertje" werkten.

Wanneer er volk voor een boot was aangenomen, werd er bij Thomsen appel gehouden door een baas die er op gesteld was dal iedere opgeroepene niet "present" zou roepen, maar zich beleefdelijk zou melden met de woorden "Ja meneer!" Wie iets anders riep, werd bij herhaling verzocht van zijn aanwezigheid blijk te geven net zo lang tot het "Ja meneer!"
had geklonken. Wie dit nu verneemt, vindt deze verplichte hommage aan een baas wat wonderlijk. Laat staan, wat de bootwerkers er toen van dachten. Zij merkten zeer goed op, hoe dal "meneer" als een fluwelen streel over de ijdelheid van die baas ging. Onmiddellijk heette hij "meneertje", maar met het spottende diminutief dat de opgeblazenheid tot haar ware proporties terugbracht en de vormelijkheid van de vertoning volkomen kraakte.

Niet altijd is de herkomst van die bijnamen terug te vinden. De "Jongens van de Rijnhaven", die vijftig jaar geleden het erts met de hand losten, schepten er bakken mee vol. Hun gereedschap bestond dan ook uit een schep, een puntschop en een piek. Die laatste diende om 's winters het vastgevroren erts uit elkaar te slaan. Als die bakken vol waren werden ze overboord gezet. Er waren "Santanderbakken" en dan is die naam etymologisch duidelijk, want alle erts werd naar zijn herkomst genoemd. Maar waarom werden de kleinste "apenbakken" geheten? Zelfs een Kamphuis weet het niet. In de bootwerkerstaal treedt het "apie" ook nog op ter aanduiding van het gewicht van een kilogram.

Kamphuis noemt me nog veel meer bijnamen. De ertsploegen, die bij H. Müllerr genoemd. En alle ouwe vasten waren de "Gezalfden". Gedurende een staking in Rotterdam hadden Müller & Co. dat van huis uit een erts- expeditiebedrijf was, vaste mensen voor de overslag van erts in dienst. Het eerste werk, onderkruiperwerk dus, dat deze arbeiders verrichtten, was het lossen van een hooischuit. Van dat ogenblik zijn de ertsploegen van Müller & Co. nooit meer anders genoemd dan de "Hooiboeren". De "Gezalfden" echter waren familieleden van bazen en hoofdbazen, die bij het aanwerven van volk het eerst in aanmerking kwamen. Dit nepotisme was voor de Rotterdamse bootwerker moeilijk te verdragen. De moeiteloze gladheid, waarmede deze uitverkorenen zich in het werk drongen, kwam tot uiting in de naam "Gezalfden". Er zit zo iets oud-testamentarisch in, iets zoetzappigs van genegen verwantschap, waar de Rotterdamse bootwerkers een kwalijke geur uit opsnoven, maar waar zij machteloos tegenover stonden. Die voorkeur voor bloedverwantschap- pelijke relaties deed zich veelvuldig gelden.

Een broer van de ouwe Swarttouw stond immers zelf aan de winch. Gezalfder kon het toch niet?

Bij Thomsen heetten de ertsploegen "Krupp-ploegen" omdat Krupp voor het overladen van erts de voornaamste opdrachtgever was. Een van de vooraanstaande bazen zei altijd: Noem mij maar geen baas. Zeg maar Pooier. Nou, vond Kamphuis, ""dat is niet mooi meer en we ben 't vergeten. Soeda. En als je aan Frans de Ruyter vroeg: waar woon je? dan antwoordde hij: Loods 7 want zodoende wilde hij maar uitbeelden dat ie dag en nacht in loods 7 stond."

Ik vermoed,dat we nog wel meer bij- namen zullen tegenkomen. Wanneer ik de draad van mijn interview met die prächtige Rotterdamse bootwerker hervat, dan zien wij, dat hij ten slotte ais vaste arbeider voor Thomsen ging qerken. We hebben vroeger wat in tijd verdaan met wachten. Ook op je centen. Dan stond je 's Zaterdagsnacht om 12 uur nog te wachten op je loon. Had je in die tijd per week op vijf, zes verschillende boten gewerkt, dan moest je wachten tot al die boten één voor éen afgerekend waren. Dan kwam je net zo dikkels voor 't loket als er boten waren geweest, waarop je gewerkt had, al was 't soms maar een kwestie van een of twee kwartjes.

De ''Lange” zat achter het loket met een lijst, waar hij zijn hand voor hield. Ik moch' niet bij 'm afkijken! Dan vroeg ie : wat hebbie vediend? Had je, bijvoorbeeld aan twee boten gewerkt en je zei f 12,- dan zei hij: dat lieg ie. 't Is maar f. 11,60. Het duurde dan ook niet lang of de bootwerkers gaven geen antwoord, als de ''Lange" met z'n hand maar altijd schuw en stiekum voor z'n loonlijst vroeg: Wat hebbie verdiend? Dan zeien ze: Steek de moord maar, betaal mijn maar uit wat er op dat papiertje van jou staat. Dat willie toch?

Vandaag de dag vind je Vrijdagsmiddags je afgepaste loon in een enveloppie en niemand die je afblaft. Maar toen stond je toch maar de Zaterdagavond en een stuk van de nacht op je centen te wachten. En waarom? Je begrijpt toch, dat daar weer allerlei beroerdigheid van kwam, met natuurlijk dat eeuwige kroegie in de buurt ..... niks as narigheid van mannen, die bezopen thuis kwamen bij de vrouwen en de helft van d'r loon kwijt waren. En dan kift onder mekaar. Knokken want er was er een bij, die oersterk was en als 't ie een neutje gehad had, wou die vechten. Ik ben Dempsey, zei hij dan. U weet wel, dat was toen die Amerikaanse bokser, die nog door een Fransman is gevloerd. Maar mèt, dat ie er op straat een te lijf willen ... ik ben Dempsey! ... toe' zeit er een ander: En ik ben Carrepentier! En daar ging Dempsey tegen de stenen. Wat hebben we gelachen ... want nou had ie er een getroffen, die hem wel rauw lustte.- En zo was dat in ons vak: mekaar overbluffen.

Een ging d'r op een gehuurde motorfiets toeren met z'n maat achterop. Toen hij bij de molen van Piet Engel daar an de Maashaven kwam, was hij die vrijer kwijt. Die lag nog ergens onderweg te gillen, waar die motorrijer niet eens erg in gehad had!

Bij die ouwe Pieter Thomsen met z'n bakkebaarden .... was ene meneer Eekkes in dienst, als boekhouwer en toen de zaak van de Zalmhaven, waar Kamphuis uit eigen ervaring niet over mee kan praten, naar de Joubertstraat verhuisde, kwamen er twee mensen, die de bootwerkers moesten aannemen. Dat was meneer Thoënis ... met twee van die titteltjes weet U wel? en meneer van Herwaarden, die we hiervoor reeds als de "Lange" hebben leren kennen. "Werd die Tünus bij z'n naam genoemd?"  "Wel nee. Die heette "De Jood" .....want  dat leek wel zo . . maar van Herwaarden heette "De Lange" want dat was inderdaad het geval. Maar of Tunus, zoals wij zeien, volgens de Duitse nationaal-socialisten een jood was, weet ik niet. Want hij had fut in z'n handen en hij sloeg er ook op, waar 't gepast was en dat is nou niet de meest markante hobby van de joden. "De Jood" had lef genoeg. En dat Tunus was in feite ook nog een bijnaam, want hij heette in werkelijkheid Thoënis of Thönis .....maar iedereen dacht dat ie Tunus was. Die stond erop, dat je beleefd bleef en als je hem netjes wat kwam vragen, dan nam hij ook beleefd de moeite om 't je haarklein uit te leggen. Maar als er een bij hem kwam binnenrazen en geeveedeeën "lelijke vuile kelera-jood", dan sloeg ’t ie uit en 'm meteen voor z'n bek en de deur uit.

Zoiets kon "de Lange" niet. En toch was ‘t ’n beste vent, al hield hij altijd z’n hand stiekum voor 't loonlijssie, maar voor die Tunus hadden ze respect. Zij verstonden hem als 't op bakkeleien ankwam."

Wessel Kamphuis steekt dan z'n pijp nog eens aan en vertelt altijd maar door. "Dat is natuurlijk geen chronologisch verhaal. Dat mot je er zelf maar van makeen, want dat is jouw vak. Ach, 't is aardig om nog eens te horen, hoe dat vroeger zonder de machinale lossing in z'n werk ging.

We hadden in die dagen kolenwerkers, ertswerkers, graanwerkers, stukgoedwerkers en houtwerkers. Ieder z'n vak. Daar was zo maar vanzelf een soort specialisering in ontstaan en het gebeurde niet vaak, dat de bootwerkers zich met elkaars onderdeel van 't vak bemoeiden. Nou bestonden de ertsploegen uit 12 man, waarvan de bootsman en de winchman werden aangewezen. Die andere tien dobbelden ....."

"Dobbelen? ... hoe?"

"Doodgewoon met drie dobbelstenen en wie de hoogste ogen gooide, had de eerste keus. Om uit te maken, wie er een baantje aan dek kregen. Dat waren de baantjesgasten: een hullepie voor de bootsman en een overstomer, die de boom heen en weer haalde. De acht, die overbleven dobbelden weer met wie ze maats werden. Dan begon de aanval op de lading in de buik van 't schip en werd dat erts met vier bakken met ieder twee man gelost. Als de luiken opengingen, lag dat erts natuurlijk als een berg met een punt omhoog. We werkten eerst de top van die kegel af tot er een vlak ontstond. Vervolgens doorgraven tot je op de bottom kwam en dan de rest eruit. Die vier bakken waren de binnenzijbak, de buitenbinnenbak, de buitenbak. .maar de vierde bak heette de "strafbak".

De twee, die de strafbak bedienden, stonden net op het plekkie, waar de bak neerkwam en moesten dan telkens in de ertsmassa op zij gaan. Daarom werd er juist om de plaatsen gedobbeld. Sinds de invoering van de machinale lossing is dat dobbeIen toen vanzelf verdwenen.

Nou was er hier in Rotterdam een stuwadoor Karreman, die al z'n ertswerk afgaf aan Thomsen en die z'n broer Piet kwam mee over als baas. Als Thomsen een ertsboot aannam, was ik zeker, dat ik daar werk bij kreeg. Maar nou krijgt Thomsen van die Karreman de eerste Benisaf-boot met mooi zwaar goed te lossen en daar kwamen ook de bootwerkers van Karreman op af. Dat stroom
de daar toen in de Joubertstraat allemaal voor de ramen. "De Lange", die daar al dat volle van Karreman naar binnen zag kijken, kreeg meteen de zenuwen.

Links: Karreman (ca. 1930)

En hij maar de namen opschrijven, die Piet Karreman hem opgaf. Dat waren natuurlijk alienig de mensen van Karreman en stonden de mensen van Thomsen ernaast. Hebben wij groot gedonder gehad met de gezalfden van Karreman.

Tot eindelijk na de ceremonie van het aflezen van de namen ook de teleurgestelden 't pakhuis binnendrongen en "De Lange" een pak slaag geven, dat de blauwe vonken eraf spatten. Toen was Piet Karreman bang geworden en hield hij z'n zalfpot dicht. Als die mensen dan aangenomen waren, werd er an 't pakhuis weer gedobbeld, wie in de dagploeg en wie in de nachtploeg kwam. De dagploeg had een spil van zes uur 's morgens tot zes uur 's avonds en de nachtploeg van zes uur 9 ‘s avonds tot zes uur 's morgens. De meesten hadden liever werk in de dagploeg, maar als 't zomers erg heet was, wisten we 't wel: als je keus gooit nemen wij de nacht!

En dan dobbelden ze weer voor ‘t baantje en voor de keus van het ruim, waar ze te werk wilden konen.  Als je niet bij-de-hand was, wier je te grazen genomen en probeerden ze wel, wat ze geraaien hadden, te heten te liegen. Maar tegen het argument: ken jij voor de gloeiende-zus-en-zo een haartje betoeterd, werd verder niet meer geprotesteerd. Zij schopten ook nog wel eens tegen een dobbelsteen die met een laag cijfer boven kwam om zodoende te
trachten het lot nog een klein handje te helpen, maar dan zette ik zo'n grote bek op en Kamphuis wees met z'n hand koven z'n hoofd aan hoe groot – ‘k most ze altijd van m'n lijf houden. En dan in- eens een "beetje meewarig: nou ja, ze schelden wel erg, die bootwerkers, maar zij menen het niet zo kwaad. En ik ken keus nog wel eens onder de meest beruchten terecht komen.

Daar stond je dan bij in de "Luizenhoek", dat was de Grote Post voor de scheepstijdingen aan 't Willemsplein, waar je kwam kijken of er een boot voor meneertje bij was.

0, o, w hebben we vroeger afgesappeld, meneer, als je dat met tegenwoordig vergelijkt. Maar we wisten niet beter. We wilden wel beter en we zagen wel dat het beter kon. Daarom heb ik in de vakvere
nigingen eerlijk mijn best gedaan, zonder te kwispelen tegen heer en knecht. Mijn streven was altijd gericht op meer zeggenschap. Ik kon ook op een gegeven moment een betrekking krijgen bij de vakvereniging. Vroeger had ik dat graag, ja erg graag, gewild. En 't is gek, nu niet meer. Ik ging naar de Directeur om hern te zeggen, dat ik misschien wegging. "Dat zou me spijten", antwoordde hij. Ik was jarenlang lid van het afdelingsbestuur van de Bond in Rotterdam en voorzitter van de ondervakgroep Havenarbeiders. Maar toen de Directeur zo zei: " 't Zou me spijten" begon ik me toch te realiseren, dat wij bij Thomsen wel schappelijk behandeld zijn. Ik kreeg een nieuwe baan waarin ik ook nuttig voor de bootwerkers kon zijn".

"Wat is nu je werk?"

"Assistent van de personeelsafdeling onder meneer Vosveld en eigenlijk zo'n beet je sociaal werker naast de sociale werkster die zich vooral belast met het  gezinsbezoek. Ik mag zeggen,dat Thomsen op dit gebied baanbreker is geweest. De jonge Backx is meer de leidende figuur. Van hem is het denkbeeld gekomen om allereerst het moreel van zijn bazen omhoog te brengen. Daarvoor zijn toen kantoor- bedienden uitgezocht, die ik de praktijk van het vak moet leren".

De niet meer zo jonge Kamphuis zit daar nu bedaard en verstandig over te praten.

"De jonge Backx heeft voor dat alles de stoot gegeven, maar hij zei altijd: je hoeft mijn daar niet voor in de hoogte te steken, want dat is tock maar flauwe kul." Ik ben nu instructeur. Ga je onderkruipers opleiden? hebben ze me gevraagd. Ook de mensen zullen wel gaan begrijpen, dat het daar niet om gaat. In de oorlog is dat werk gestagneerd, maar na de bevrijding is het weer dadelijk hervat. En goed ook. Ik werk nu drie dagen op de boot en de andere drie worden besteed aan het opleiden van nieuw personeel. Dan heb ik ook spreekuur met de Kern en Dinsdags ben ik leken-rechter als lid van het Tribunaal onder de ouwe Mr Naayen.

Thomsen is vooruitstrevend. En dat niet alleen. Het gaat immers ook om de manier waarop. U hebt nu de waslokalen en de cantine gezien."

Wijzend op zijn keurige grijze uniform voegt hij er aan toe: "En Thomsen verstrekt ook solide kleren. Fifty-fifty. Niet cadeau. Wat hebben de andere bedrijven dat allemaal krankjorum gevonden. En nou meneer? Wat is er voor de pensioensregeling gevochten. Maar dat hadden wij bij Tkomsen al in 1939.

Ik wou maar zeggen, toen de achturenwet onder Aalberse was aangenomen brachten ze de bloemen bij Schaper. Op dezelfde manier breng ik in mijn gedachten een bloemetje bij Thornsen. "

Het is onnodig aan dit interview een samenvattende conclusie toe te voegen. Kamp- huis heeft het in zijn eigen eenvoudige maar sterk beeldende taal al gedaan. Hij personifieert een voorbij tijdvak. Hij begon als een anonieme Rotterdamse bootwerker met niet veel meer dan de fut in z'n body. Hij heeft hard gewerkt voor zijn gezin in de beroerdste tijd van Rotterdam's opkomst. Maar ten bate van alle andere bootwerkersgezinnen heeft hij ook hard gewerkt aan de verheffing van z'n vakgenoten. Tot hij op een goede dag zijn patroon aan zijn zijde vond.




Ik moet nog even terugkomen op de tijd, die Jan Tegen-Dek ook al heeft aangeroerd, toen "dat loestige zeemansleven" uitgevierd werd op een kof of een schoener, die via den Briel, het Voornse Kanaal en Hellevoetsluis het zeegat uitzeilde. Want: ik heb visite van drie bootwerkers, waarvan de jongste 74 jaar oud en bijkans maar een ba-neus is in dit gezelschap.

Zij hadden net als Jan Tegen-Dek de tijd meegemaakt, waarin de associatie van de ouwe Peter Thomsen met Ropke tot stand kwam en de lading gelost wier ..... vanzelf met de sukkelaar, baaltje voor baaltje, waarna dan de takelaars optraden om 't schip we er netjes in z'n want te zetten en zeilklaar te maken.

Mijn vier berichtgevers, want Kamphuis is er inmiddels ook bijgekomen, geraken bij het onderling weerzien in een bepaald gezellige stemming, terwijl ze onder een kopje koffie en een sigaar nog eens over die tijd van vroeger kunnen klassioneren. Toen zij een paar uur later vertrokken, waren zij pas voor de helft uitgesproken en hebben zij het gesprek in de tuin nog even voortgezet.

Zij herinneren zich vijf takelaars, die gewezen zeelieden waren en waarvan Peters nog met de ouwe Thomsen had gevaren. Deze was dus zelf ook zeeman geweest, die, als zovele anderen, een jop aan de wal had gezocht om de kost te verdienen. Hij begon nu eens geen kroegje in de Zandst
raat, maar werd liever scheepstuig-aannemer, zich stellig geenszins bewust van het feit dat er lelijke jonge eendjes  werden uitgebroed, die voorbestemd zijn om tot statige zwanen op te groeien.

Fekkes, Kalis en Teilekamp kunnen gedrieën de herinneringen van Jan Tegen-Dek nog aanvullen met zelfs de namen van hen, die in de eerste rommelige jaren van het bedrijf de ouwe Thomsen hebben terzijde gestaan. Tinus van der Ven was baas, hielp mee bij de lossing en hield toe zicht op het optakelen, dat aan de geroutineerde zeelieden Karel Wilse, Karel Moor, Piet Weiler, Koos Rexwinkel en de ouwe Peters was toevertrouwd. Het is nog een wonder, dat de familienamen van die takelaars van zowat 80 jaar geleden bekend zijn, want de overgrote meerderheid van alle bij het havenbedrijf betrokken personen werd immers aangeduid - hoe vaak is er hierboven reeds op gezinspeeld - door bijnamen. Te beginnen bij "de Beer", waarmede de oprichter van Thomsen's Havenbedrijf bedoeld werd, die, te oordelen naar zijn zoologisch georiënteerde bijnaam,wel niet door het likken van mama de berin in een bijzonder handzaam model zal zijn gefatsoeneerd. Deze Beer zal ook wel geen week gemoed hebber gehad voor zijn evenmin verfijnde werknemers. Er ligt een tijdsbeeld in dat woord Beer.

Dat de juiste familienamen van de werknemers zelfs niet eens bij de werkgevers bekend waren, is niet zo verwonderlijk, omdat niemand zich vóór de invoering van de Ongevallenwet ervoor interesseerde Ome Klaas, Lou-Zonder-Jas, de Ploeg-van- acht-Uur-Dronken, de Koeiendrijver, Bijltje, Ome Kotebik, Willem de lik, de Boeren (waaronder de arbeiders van de linker Maasoever werden verstaan) zijn persoonlijkheden, die de huidige, aller-oudste overblijvenden uit die lagen nog levend voor ogen staan. De vader van Kamphuis stond bekend als de ''Lange Wessel. Toen zijn zoon zich als Kamphuis aandiende, zeien ze "Barst nou gauw........ je vader heet Wessel"?. Hij, prompt: "Verrek, ik zal mijn eigen vader toch wel kennen?" Zo zaten die bijnamen erin geroest.

Het zal dan ook wel vrij juist gesteid zijn, wanneer Fekkes eraan toevoegt: "Wij waren niks. Als er een boot te lossen was en je wier aangenomen, had je geluk. Maar ze hebben niet voor niks dat spreekwoord gemaakt: "als Lulea dicht gaat, gaat de lommerd open".

Dan moesten wij maar zien,dat we terecht kwamen. We verdienden 15 cent per uur an zo'n salpeterbootje en 20 voor stukgoed. Bij de Holland-Amerika Lijn en de Lloyd gaven ze 15 centen voor stukgoed, en na een staking 25 centen. Dat wier na nòg eens een staking 27,5 cent." Weer een staking om een loonsverhoging van 2,5 cent, een munteenheid, die men in die dagen een vierduitstuk piacht te noemen. Toch blijkt uit het gesprek, dat de vier ouwe vrinden maar monter met elkaar blijven voeren, dat er zelfs tegen de lage tarieven van die tijd, nog wel flinke weeklonen werden verdiend. Vooral zij, die tot de gezalfden behoorden, maakten wel eens weken van boven de f. 40,—. Eén hunner vertelde, dat hij eens een loon van f. 51,- rnee naar huis had gebracht. Zij geven toe, dat zij gemiddeld, veel meer verdienden dan een ambachtsman. Een gerneente-werkman had een loon van f. 9,- per week. Voor zover er in die chaos van werktijden en loon-tarieven in het havenbedrijf een gemiddelde te schatten valt, kwam de arbeidzame bootwerker op een weekloon van f. 13,. Daar zijn alle berichtgevers het over eens. Maar in die tijd kostte een brood 8 ct., melk 2 ct., 7 KG- aardappelen 10 ct.,een bloemkool 5 ct., een groen kooltje 2 ct. per stuk, een bos peen 4 ct. En een liter petroleum 3,5 cent. De prijzen staan voor goed in hun geheugen opgetekend en blijken bij een summiere controle ook wel juist.

Tellekamp herinnert zich nog heel goed, dat ze zo'n schepie van de Blauwe Ster moesten lossen. Daar zat coprah in voor de "Eerste Nederlandsche Plantenboter-fabriek". "Koch-ie bij Bluyssens voor 40 ct. een pond margarine met een pond er bij cadeau plus een bon."

Toen op het eind van de vorige eeuw, zo ongeveer 1890, de kunstboter volgens wet- telijk voorschrift het Stempel "Margarine" moest dragen, klonk er door Rotterdam een lied, dat Teilekamp me nog voorzingt:

"0, margarien, o nagemaakte boter, 0, margarien, je omzet wordt steeds groter, 0, margarien, als jij zo door blijft gaan, Zal de boter naar de bliksem gaan."

De kosten van het levensonderhoud waren in onze ogen onbegrijpelijk laag. Maar als er bootwerkers waren, die in vergelijking met andere beroepen een betrekkelijk hoog loon verdienden, moet niet uit het oog verloren worden, dat het werk aan boord van de schepen oneindig zwaarder, ongeregelder en riskanter was en bijgevolg een bijzondere lichamelijke een geestes-gesteldheid vereiste. Een bootwerker arbeidde 16 uur en had 8 uur rust. Na iedere korte rust onder ‘t werk door duurde het een posie voor we
weer in ons medel stingen".
"Er was geen grens aan de werktijd" herinneren zij zich nu met een lichte verwon- dering. "Ik werkte 8 Zondagen achter mekaar en op die manier,naar de begrippen van tegenwoordig, maakte ik 10 dagen in de week. An de dagen kwam ook geen end. Ik heb eens twee dagen en twee nachten met Treurniet in 't zelf- de gat gewerkt, 23 uur gestaan, Meneer, in de winter, met 1 uur schaften. Dan had ik onder 't werk m'n brood al gegeten orn in dat schaftuur een hoekie te maken van planken en de matten van de garnering om effe te slapen. Ze moesten me wakker schoppen en voor ik
weer an het werk gong, piste ik maar 's op mijn handen, omdat ze krom stingen van de krukhaak. Als je wakker wier kon je met een lepeltje 't vuil uit je ogen scheppen. Twee dagen en twee nachten achter mekaar doorwerken. Dat heb ik éne keer gedaan maar toen nooit meer!"

"Een blinde week heb ik nooit gemaakt. Mijn siechtste was een knaak en dan kocht k een flessie Odeklonje voor m'n vrouw en hield ik de rest maar in mijn zak."

Het is een wonderlijke drie-eenheid: een week, een zakduit en een fiesje Eau-de- Cologne, als resultaat van 7 dagen uit een mensenleven.

En dan herinnert zich weer een ander, die op een houtboot werkte, dat "die deklast rollen eraf most. Er was geen plaats om die leng te maken en ik gaf ze an. Gaat dat goed glijen en kom ik met m'n klauw tussen twee van die zware rollen. Mijn pink was meteen gestroopt als een paling en er staken van die witte sprietjes uit. Ze deden er een prop watten op en stuurden me naar dokter de Snoo. Ik zit daar in de wachtkamer en dat duurde zo lang, dat de watten erin gedroogd waren. Ik moest er mee in sublimaat-water zitten en er verlopen een paar maanden eer dat "beter is. Toen ging ik s-Zaterdags naar de Hoek om m'n centen. Orne Klaas en meneer Thomsen betaalden samen uit. Maar er was een rekening gekomen van f 1,50 van de dokter. "Wat is dat nou" vroegen ze want dat wilden ze niet "betalen. Dat waren hun zaken niet. Ik zeg: "Piet van der Eist heb me er na toegestuurd, en dan ben !t mijn zaken ook niet". Affijn, ze hebben na lang praten die daalder an de dokter betaald."

Teilekamp kreeg baren koper op z'n vingers. Druides-zalf erop en doorwerken. Kamphuis moest een roeiboot verleggen. Hij struikelt in 't gangboord en verstuikt z'n poot maar blijft hinkende doorwerken. Toen de dokter erbij kwam, zei deze: "Te lang mee gelopen" en "ik moest naar huis". Toen dachten ze dat ik de lijn trok, want ze zeien wantrouwend: "He....toen die boot nog niet klaar was mankeerde jij niks!" Nu, men kon het daarna wel aan Kamphuis overlaten om van repliek tedienen.

"Ik heb ook een ongeluk gehad", zei Fekkes "dat ze me met een hersenschudding uit het gat halen. Ik had nog wat gebroken ook, maar ik herinner me niet persies meer wat. Een poot of 'n arm zal 't wel geweest zijn, maar ze hebben me in 't ziekenhuis weer opgeknapt. Na verloop van tijd kom ik op een Maandaggemorgen weer op het werk terug. "Leef jij nog, man?" vroeg ome Hein. "Ik zeg: ja, dat zien-ie." "En wat wou je?" "Ik zeg, werken."

Maar ome Hein wou me niet annemen.

"Ik zeg, er mot toch zeker gewerkt worden?" "Ach man, de dokter zeit dat je niet ken." "Ik zeg nou, dat kunnen we toch pas weten, als we 't perberen?"

"Nou, we zallen zien."

"En ik ben begonnen met 24 uur zakken dragen. Ach, dat vak van ons schijnt niet zo ongezond te zijn, want ik ben nou 80 en ik heb nergens van te klagen, hoeveel ik nogal wat heb meegemaakt..... Christeneziele nog an toe!"

Een hersenschudding....er was zelfs sprake van een schedelbreuk, en die diagnose is misschien overdreven.... maar in ieder geval "nog ies gebroken" waarvan hij zo weinig notitie heeft genomen, dat het hem ontschoten was, wat, en na uit het ziekenhuis ontslagen te zijn bij wijze van nakuur 24 uur zakken sjouwen om "te perberen of ie dragen kon en zich weer een beetje lekker te gaan voelen.

Ik kijk er de ouwe mannen, die rond mijn schrijftafel zitten op aan: zij maken inderdaad de indruk, dat het harde leven van vroeger weinig of geen sporen heeft achterge- laten. Zij zijn allen, dank zij de democratiserende invloed van het kapitaal,goed gekleed en zij maken een zeer vitale indruk. Ais een paar dagen later Halk, de gewezen baas van het Handelsterrein aan de Spo
orhaven, zijn entrée maakt, slank en welgemanierd, zonder enig lichamelijk gebrek, taxeer ik hem op een zestiger en "ik word binnenkort 82, ais ik het beleven mag". Er bestaan echter, zover ik weet, geen statistische gegevens over de levensduur van bootwerkers, maar indien ze bestonden zouden ze voor de afgelopen halve eeuw waarschijnlijk uitwijzen dat het percentage van de sterken, die na hun pensionnering gezond bleven, geen optimistische conclusies wettigt.

Rechts: Halk (ca. 1926)

De drank speelde een funeste rol. Toen Fekkes ais jongen van zeventien jaar voor het eerst als havenarbeider 's morgens vroeg naar de "Onton" ging, een Spaanse ertsboot, die gelost moest worden, had hij naar het geldende gebruik een kan jenever moeten meebrengen om zijn intrede in het vak feestelijk te vieren. Daarna zouden zijn kameraden pas bereid zijn hem de nodige leerzame aanwijzingen te geven.

Hij verheugt er zich nòg over, dat hij deze kostbare formaliteit, die stellig wel 60 cent zou hebben vereist, niet behoefde te vervullen, want: "er werkte daar ook een Paulus Potter, die beschikte over de stierige kracht, waaraan deze naam onwillekeurig doet denken. Deze Potter zei: "Jij hoef geen jenever mee te brengen en je houdt je smoel. Ik zal je alles wel leren. Nou, ik heb een plaasie geschept en een geultje gemaakt en nooit geen jenever meegebracht want Potter zei "als je 't doet sla ik je voor de driedubbele Jan-Kets-Boem door 't raam heen."

Het is zonder twijfel te danken aan de geheelonthoudingsanctie van de S.D.A.P., dat het weerzinwekkende drankmisbruik van vroeger voor een groot deel tot het verleden behoort. 's Morgens om vijf uur stonden in de kroegen van het havenkwartier en in de omgeving van de industriële bedrijven de gevulde jeneverglazen al regimentsgewis te wachten op de toonbanken. Zo'n borrel kostte ten hoogste 5 centen en was bovendien op de gemakkelijke betalingsvoorwaarden van "de lat" verkrijgbaar. 's Maandags moesten de bedrijven er rekening mee houden, dat een groot deel van de arbeiders afwezig bleef of als ongeschikt voor de arbeid weggezonden
moest worden.
Taferelen, zoals zij op het eind van de vorige eeuw voorkwamen van beschonkenen, die op straat en op klaarlichten dag met de politie vochten en bloedend verwond door de "hartsvanger" van de agenten, half ontkleed naar het Hoofdbureau van Politie aan de Kaas markt werden gesleurd, behoren toch wel tot het verleden. De dronken vrouw, die onder gejuich van de straatjongens, op een Handwagen naar het politiebureau werd geraden,was vroeger in de binnenstad, ook voor mij, als kind, een verz
etje. De taal, die daarbij door de omstanders werd gesproken was echt leerzaam voor kinderen, al had dit commentaar geen kans om ooit te worden opgenomen in de bundel "Loverkens voor de Jeugd" of het tijdschrift "Voor het Jonge Volkje" onder redactie van de pedagoog P. Louwerse.

Wanneer 's-Zaterdagsnachts om één uur de café's werden gesloten, liepen er in de binnenstad niet veel mensen meer op straat, die nuchter waren. Bij ijzel kon zelfs hij, die de trieste achtergrond van deze onmatigheid betreurde, zijn lachspieren niet in bedwang houden. Dit alles is geen overdreven voorstelling van een voorbije realiteit.

Er heerste een ontstellend alcoholisme in Rotterdam en lang niet alleen in arbeiders- kringen. Het is niet verwonderlijk, dat de bootwerker, met zijn ongewisse beroep, daarvan mede het slachtoffer werd. Waar zij samen kwamen, kwam ook de kastelein. Toen Thomsen bij wijze van eerste expansie naar "een koeien- stal van een pakhuis" verhuisde "met een kantoortje van 3 bij 1,5 meter zat de kastelein Schaap er dadelijk naast.

"Als er geen boten waren, gingen de mannen daar kaarten en de Ploeg-van-Acht-Uur-Dronken die "effetief" misbruik maakte, kon er terecht. Kwam er dan werk,dan kwam de Beer uit het pakhuis en zei: "'hoe zouen jullie erover prakkizeren? en dan werden ze aangenomen."

De begeerte om te drinken werd ook aangewakkerd. Wanneer er premies werden geschonken, deed men het uit een fies. "Toen we op de Dr. Adolf Schmitt, een van die Krupp-bootjes werkten, kwam er water in ‘t grote gat. Ik na die machinist toe, hè, maar 't pompie was kapot en dat water kon nie' weg. Toen zeien ze: als jullie doorwerken krijg-ie allemaal een fies bier. Dat waren met de weger mee 13 flessen, maar ene Klaas zoop mijn bier leeg, zonder dat ik er erg in had. Toen motten er nieuwe buikdenningplanken in het gat komen tegen ' t schot en die stuurman vraagt of wij dat willen doen, als 't ie weer dertien flessen bier geeft. Nou, wij wèl, hè? Maar die Klaas zuipt wéér mijn bier leeg. Ik wier kwaad en ik geef hem 'n dreun op z'n kaken, da'k doch, dat ie- z'n kiezen als witte boontjes kon uitspoegen. Ben ik toen voor gestraft en most ik van die 2-meter rollen ....dat ben van die mijnstutten... uit het onderruim dragen en achter op de kont van die boot in de lich
ter gooien."

En welk een buitenkansje toen de kapitein van de "Katwijk", die een zoon van de Burgemeester van Katwijk was, een zijden vlag van zijn vader cadeau kreeg. "Dat gaf sjakdeman twee fiessen bier en twee sigaren aan boord van die Katwijk aan boei 7.

Teleurstelling veranderde een enkele maal in een onverwachte buitenkans.

Wanneer Rotterdam de oudejaarsavond vierde met de traditie van voetzoekers en clandestiene pistoolschoten en de gezelligheid van punch en oliebollen, werkten de bootwerkers voor een groot deel door. "Het vroor dat het kraakte en ze hadden op die Spaanse boot de stoom afgezet, zodat we verrekten van de kou. We vroegen aan de stuurman om porra (vapora), maar dat déé die Spanjool niet. En net dat we hem staan uit te vloeken, wat ie natuurlijk niet versting, kwam er een boodschap: "Broeken schoonrnaken- en in de salon komen om twaalf uur te vieren. Hebben we wijn gehad en gegeten. Dat wilde nou die kapitein zo. Dat was een beste vent."

Hoeveel tientallen jaren is het geleden? En wat staat dit genereuze gebaar nog duidelijk in hun warm genegen herinnering.

Die flessen bier, die tractatie op ouwejaarsavond hadden weer wat vertier gegeven in hun leven. Het is maar een simpel rekensommetje om te becijferen, dat een loonge- middelde van f. 13, per week in de huishoudens niet veel overliet voor waardevolle ontspanning. De bootwerker, die zijn loon gedeeltelijk of soms geheel in kroegen verbraste, liet zijn gezin in de zwartste misère leven in duistere stegen, waar het verdriet langs de kreunende trappen naar boven klom. De fatsoenlijke, oppassende bootwerker kon zich echter niet de geringste luxe veroorloven. Een tafellaken voor de maaltijden was onbereikbaar. Het verzolen van een paar schoenen was een financieel probleem. Een vaas je bloemen op tafel? Het zou krankzinnig zijn om eraan te denken.

Wat bood Rotterdam in de jaren der eeuwwisseling aan genoegens voor hen, die zich "de smalle gemeente" noemde?

Sport werd uitsluitend beoefend door de aristocratie, die de "Abraham Prikkie",een van de eerste Rotterdamse sportbladen, de "stoomboot-adel" noemde. Ik heb de tijd gekend dat voetballen en wielrijden bepaald tot de deftige sport behoorden. Nu gaan de bootwerkers op de fiets naar hun werk. Onder de later ook bootwerkers, die in deze hoedanigheid verschillende hoofdsteden van Europa bezochten. Overigens Staat de beschaving voor hen open door een verenigingsleven met culturele strekking, maar vroeger?

Dat was 's Zondagsmiddags "Muziek in 't Park" van de schutterijharmonie onder Arthur Seidel, de tuin van de "Officieren societeit", waar de gewone burger in cirkel- gang rond het hekje z'n verveling liep weg te kuieren, met misschien een hakktiepakkie, zijnde een in papier verpakt ijs van twee cent voor de kinderen of een "maatje olienootjes" voor een zelfde bedrag.

De kermis, e
ens de genotvolste tijd voor de Rotterdammers, werd afgeschaft door de Gerneenteraad onder presidium van Mr.Zimmerman. Deze burgemeester was zelf echter tegenstander van de afschaffing, maar hij kon niet op legen de actie's van de Vereniging ter Bestrijding van Drankmisbruik ' of anders op zedelijkheid gerichte, organisaties. Onmiddellijk is het Lunapark in de plaats van de kermis getreden en naar mijn inzicht zijn het Shimmyhuis en de Draaischijf van het Lunapark van viezer raffinement dan de lawaailol van de kermis met z'n Kop-van-Jut, z'n paardenspel van Blanos, z'n honden- en apen-theater, z'n hippodroom, waar de gillende meiden voor een kwartje op een hortsjik door de piste reden.

Het is niet overdreven te zeggen dat Rotterdam dol was op z'n Kermis. Men spaarde er voor gedurende het gehele jaar om er met volle teugen van te genieten. Vooral van het sluitstuk "de Zaterdagnacht". Dit nachtfeest eindigde vaak in het morgenkrieken in een romantisch roeibootje met een verfomfaaid meideke, dat zich veelal weken te voren per advertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad met portemonnaie voor dit vermaak had aangeboden. Het kermiskindje, dat nogal eens op een voorbarige veronderstelling berustte, was niettemin een der hoofdargumenten voor de afschaffing van de kermis, behalve dan het drankmisbruik. Maar het is toch wel duidelijk, dat de talloze zatlappen, die Rotterdam in die tijd telde, niet op de kermis behoefden te wachten om zich te bedrinken.

De massa van de fatsoenlijke arbeiders hadden een zuinig duitje op zij gelegd om "langs de kramen" te gaan, een glaassie bier te kopen voor de man en één met suiker of een "alebessie" voor de vrouw in zo'n planken uitbouwseltje voor de cafe's in de contreien van de Veemarkt, waar de uitgelatenheid voorbij hoste. Misschien kon het nog een dubbeltje nogalijden in zilver papier verpakt met een pluchen apie erop. Het waren in feite onschuldige genoegens, die in pasmunt betaald konden worden. Natuurlijk wilden de bootwerkers als krachtpeeën een medalje aan een rood-wit-blauw lint verdienen door de Kop-van-Jut half uit elkaar te rammeien. Zij trokken er serieus de jas bij uit. Of zij gingen in op de uitdaging van "de Worstelaar" die buiten voor een tent je in tricot met zwart gepommadeerde haren en de knevel in de cosmetiek zijn ruige en indrukwekkende anatomie liet bewonderen. Zij bevochten hem hijgend en zwetend en lieten hun schamele kleren verscheuren. Maar zij hadden plezier.

Thans kennen zij ook plezier van ander gehalte. Dat hebben zij moeten leren. Zoals de arbeider met doorbetaalde vacantie nu nog moet leren kamperen. Die tijd zal ook nog komen, de tijd, waarin zij onze schone, dommelige dorpen niet meer zullen verontrusten met hun al te gretige uitbundigheid en hun al te nonchalant gedragen shorts. De Kon.A.N.W.B. streeft er trouwens reeds naar hun vacantiegenoegens in andere banen te leiden. Wie gedurende de weekends eens in de landelijke faubourgs van Parijs gaat kijken, hoe de Franse arbeiders zich vermaken, ziet wat dezen reeds geleerd hebben. Hun genoegens zijn naïever dan men in Nederland gewoonlijk denkt.

Mijn hemel ....... welk vermaak had een bootwerker vroeger? Het bestond uit opschepperij legen elkaar, wat geen geld kostte of uit de grofste, soms weerzinwekkendste plagerij, die eigenlijk als schalkse guitigheid bedoeld was.

Luister maar; "Ik dee' 'n weddenschap, die ik op die Engelse viermaster fokkemast in de en de kruismast uit zou gaan, over de knikstag heen en ik haalde het.  "De Magere" heeft dat op stoomschip een willen doen en toen kwam hij net boven de schoorsteen in de zwarte rook te zitten. We hebben ons de zenuwen gelachen, maar hij heeft toch kans gezien erdoor te komen en zich langs de kruismast te laten zakken."

Zij wedden: je durft niet wat ik durf, als een spel van roekeloze lef met als inzet hun leven.

"Op d
e -Charitan- later "Zuiderdijk" van de Holland-Amerika-Lijn", herinneren zij zich met graag betrachte nauwkeurigheid,"sprong Piet, toen hij een borreltje te veel had gedronken voor de loi van 't dek in ‘t tussendek, maar die vent was zo lenig als een aap en hij mankeerde niks. 't Was ook maar een gijntje!"

Er heeft een Rabeliaanse lach gedaverd: "Ome Kotebik liet op een keer z'n warme eten van thuis brengen, zo in een pannetje in een handdoek, maar dat vraten de anderen op voor hij erbij was." De grap echter, die de schater ontketende, was toe te schrijven aan de wijze, waarop met behulp van de physiologische reflexen van "die anderen" het pannetje weer gevuld werd. Zo lachten zij op Jan Steense manier hun zorgen weg. Dit is een veel voorkomende vlucht uit de werkelijkheid.

Een medicus heeft mij eens verzekerd, dat er nergens zo gelachen wordt als aan een ziekbed. Dr. E.A. Cohen schrijft ook in zijn dissertatie "Het Duitse concentratiekamp" (1952) dat de Joden in Auswitz order elkaar plezier hadden om hun eigen ellende en hun potsierlijke kledij, dat wil zeggen de tegenstelling met hun vroegere, gelukkige leven. De lach vormde ook bij de bootwerkers de tegenstelling met hun leed.

Door een analoge contrastwerking hadden zij in hun armoede een afkeer van de gierigheid. Zij verachtten alle inhaligheid.

"Bijl was bootsman op een Philadelphia-boot en Bijl dronk koffie voor 3 centen omdat met suiker 4 centen kostte. Zo'n inhalig kreng was dat. Zeit-ie op een keer legen Kees Verschure : Kees, zeit-ie, haal jij voor mijn eens een bokkum en twee broodjes. Maar nou werkt daar op die boot ook een Jan de Herder, die later nog doodgevallen is in st gat van een koffieboot, en die liet z'n pannetje eten uit de Schoutenstraat brengen en die houdt een prakkie over. Bijl, zeit-ie, ik heb een schurrefie over, wil jij 't hebben? Ikke wel, zei Bijl, maar die man at als een kip. Dus toen die broodjes en de bokkum kwamen had ie geen trek meer en toen heeft ie ze voor dezelfde prijs verkoch!"

En nu, hoeveel tientallen jaren later? klinkt nòg hun hoongelach om zòveel inhaligheid. Er leeft een Cyrano de Bergerac in de overgrote meerderheid van de bootwerkers, die de pietluttige hebzucht met ver achting afwijst. Zoals Cyrano de beurs met zijn pas verworven maandgeld op het toneel wierp "Mais quel geste !"...zo geven zij het voedsel weg dat zij heden niet behoeven en waarnaar zij morgen wellicht zullen hongeren. Even goed zal een gijntje hen verleiden "om de drie flessen melk op te zuipen, die voor Piet gebracht zijn. Ik was er op tegen jij een haartje bedit-endat.... enfin, ik zeg: goed, maar we zullen die melk betalen. Wij zuipen die melk op en met dat ik water in die flessen sta te doen komt Piet en ziel dat.

Nou, de vloeken kunnen hier niet in de kamer, zoals die vent tekeer gong. Ik had me verzet en 't niet gewild en laat ie nou mijn met die flessen onder de kraan zien staan. Ik had de pest in en wat mot je nou doen als zij je te lijf wil?"

En dan, ineens - zonder enige over-gang van pannetje eten, waarin figuurlijk kool gestoofd werd, en van flessen melk, die zowel geniepige verkneutering als oprechte spijtigheid hadden opgeleverd - die andere herinnering: "weet U wie er het eerst door 't Luizehok zijn gegaan?"

"Ik weet niel eens, wat het luizenhok is."

"Dat bootwerkershuissie op de hoek van de Boompies en de Leuvehaven, weet U wel?"

"0 ja...dat. ken ik heel goed."

"Nou, de Keizer van Duitsland en de Keizer van Rusland! Die bennen samen het eerst door dat hok geweest."

Dit is waarschijnlijk historisch juist. Er staat mij vagelijk iets van dat bezoek voor de geest en hoewel ik jarenlang vanuit mijn venster op dat huis je heb gekeken, heb ik het altijd gezien als een vrij overbodig bouwsel, waarin hoogst zelden iemand aanwezig was. Het hoge bezoek bij de inauguratie doet mij vermoeden, dat men het met grote verwachtingen, waaraan h
et later niet voldeed, heeft neergezet. Wat zullen "de Tsaar aller Russen" en de Keizer van Duitsland met zijn "Schnur-bart-Binde-Knevel", die dozijnen goudgekrulde paleizen tot hun beschikking hadden, blij geweest zijn, dat hun dit bootwerkersverblijf ook werd ontsloten. Welke gedachte mag de Rotterdamse autoriteiten hebben bewogen,deze gekroonde hoofden het luizenhok binnen te leiden?

"Ons was door Orne Klaas een bootje angewezen en we gane na' 't werk maar Piet de Ruiter bleef achter 't luizenhok op het hekkie rond een boom zitten en die heeft gezien, dat daar die twee menarken doorheen gewandeld bennen met nog een hoop heren met hoge hoeien op en offieieren met verf an d'r jas." "Verf an d'r jas?"

"Nou ja, allemaal van die kleurtjes op d'r borst en zo."

Ik h
erinner mij" niet van dit evenement ooit foto's te hebben gezien. De journalist fotograaf was in die dagen nog niet tot Rotterdam doorgedrongen. Nu ja, in die tijd liet zich de Rotterdammer alleen op hoogtijdagen fotograferen, bij Van Dorp op de Kipstraat, bij Mögle, een Duitser, die hoek Hoogstraat en Boerenvismarkt op de zolderverdieping z'n atelier had, eigenlijk vlak boven het spoorwegviaduct.

Hij placht het hoofd van zijn sujetten van achteren in een voor de lens onzichtbare houder kaarsrecht en onbewegelijk vast te klemmen. Later maakte Schotel op de Schiedamse singel zeer geliefde familietaferelen, waarvan de leden soms met gekruiste armen over een balustrade van berkenstammen hingen, onder een hemel van grijze wolken, afgedekt door draperieën met balletjesfranje. De bootwerkers hebben mij geen foto's kunnen vertonen van al de voorbije evenementen, die hen zo zeer ter harte gingen. Dat is niet verwonderlijk: f 1, voor zes "albumformaat" en f I,50 voor "cabinet" van 13 x 18.

Koos Halk, die op het Handelsterrein aan de Spoorhaven werkte, sprak er zijn leedwezen over uit, dat er geen kieken zijn gemaakt van 't vers jouwen van die eerste stoomkranen, die daar op de wal stonden. "De waterketel van die kranen werd volgepompt uit de Spoorhaven en dan werden die dingen verreeën op eigen kracht over de rails, die hoog boven de straat uitstaken. In de winterdag lieten ze de ketel leeglopen en vloeide het water tussen de rails en vroren die kranen muurvast....dat is nou ook al weer veertig jaar terug (1912 red.)...... en als je dan met je kraan van loods 6 naar loods 10 moest, kwamen de ploegen ze met een overstomer versjouwen."

Ik dacht zeer ondeskundig, dat een overstomer ook iets met stoom te maken had, maar 't is een eind touw.

'Wat een jammer dat we daar geen foto van hebben ..... hoe onder Hein Slof als baas .... want die had van die gevoelige voe-ten en liep altijd op een schoen en een slof ... affijn hoe onder Hein Slof al die kerels, als daar waren "Happie-lekker-eten" en "Half-ons-tabak-met-een-pet-op"…...want die vent pruimde zo... en Jan Sigaar en al die anderen an die overstomer liepen te Hengsten."

"Meneer, dat was, als je 't nou nag
aat een verschil met tegenswoordig!,.. dat materiaal, waarmee ze vandaag-den-dag werken! Toen die rol- en steekwagentjes vervangen werden door electrische wagens, moesten ze op kantoor wel degelijk gaan uitrekenen, wat dat scheelde. Die dingen kostten een hand met geld en welk voordeel leveren ze mijn op, zei meneer Key, die ook niet over één nacht ijs ging. Kan je die man ook geen ongelijk in geven, watte? Maar als er sneeuw lei kon je 't met een rolwagentje niet klaren, als ‘t een holletje op ging. Soms nog niet met z'n drieën. En als 't over een oneffenheid ging, dat al die wielen niet tegelijk pakten, sloeg die schabel om, dat je er van tegen de vlakte ging. Maar die kracht van die elektrieke wagetjes stimuleerde het tempo, dan zo gezegd."
"Maar die nieuwe wipkranen waren nog veel belangrijker dan die wagetjes. Dat was een grote revolutie...... kan U mijn geloven, want
je werkte met 2 ploegen op één ruim. En 't was veiliger werken en je verloor niet zoveel tijd met verrijen. Allicht! Het gehele bedrijf wier gaandeweg vermoderniseerd met de jojo's. En toen we bananen gingen lossen met de conveyors."
"Dat was mooi, meneer, de markt werd op de boot gehouwen. Daar kwamen de kopers en zorgden zelf voor 't vervoer in wagons en lichters, want daar ging veel in transito naar Duitschland. Dat werk begon nou laat ik nie' liegen....soms al 's morgens om vfjf uur en dat was dan van vier tot vijf de boot afscheren. En daar was meneer Engelbrecht van Wambersie net zo goed present als van die jongelui van de Handels-School... Met hiet zo niet?...die opgeleid werden. Die stonden, met een speldje op, toezicht te houen op de voorzichtige behandeling van die bananen. Da's teer spul. Vroeger ging dat met gewatteerde bakken.... nou ja, vanzelf zat daar geen watten op ..... maar dat heette zo. Ze waren met stro bekleed. Later kregen we die afgedekte conveyors. Dat was d
an werk voor de Standard fruit en dan waren de Heren Pope en Wight er ook met d'rlui neus bij om te zien hoe die lossing behandeld wier." "Maar die vorkwagens hebben het voor de arbeider en het bedrijf toch wel ten beste veranderd. Ik herinner me,dat er dikkels kisten gecondenseerde melk gelost werden. Als er dan geen boot was, werd dat goed op de vloer gezet en kon je later weer zo'n tien duizend kisten oprapen. Nou komen die vorktruckwagens en het is gebeurd. De kisten sinaasappelen van de K.N.S.M. werden aan de loods Lekhaven met netten gelost en één voor één naar binnen gere’jen, de hele mikmak door elkaar. Want dat zijn allemaal verschillende soorten…..Vincent de Monreval en zo…..maat dat most dan allemaal apart gehouen worden maar hoef U niet op te schrijven, want de jonge Backx had niet sozeer met het veembedrijf te maken. Dat deed meneer van de Wetering."

Rechts:  De “jonge” Backx (ca. 1927)

"Toen Rotterdam zich uitbreidde, zijn er natuurlijk havens bijgekomen, he? Ik weet, dat de Rijnhaven nog land was en daar liep zo ' n paadje dwars doorheen van de Noord-Oost naar de Zuid-West hoek. Voor een cent moch-ie daar over. Ik weet het nog goed. Ik was eerst loopjongetje bij Van Winkel .....weet u wel?...... zo'n leerzaak in de Hooisteeg. Daar kocht op een keer een
juffrouw een koffertje van een gulden en ze zeit tegen m'n patroon: Dat zijn dat koffertje effe voor me dragen. Goeie praat, zeit m'n patroon. Koos, ga jij met de juffrouw mee. Laat ze me nou meenemen dwars over dat terrein waar nou de Rijndam kabbelt. Aan 't eind van 't paadje kreeg ik een sinaasappel en een cent voor 't paadje terug. Zo was dat toen in die tijd."

Links: : N.v.d.Wetering

"Later ben ik bij Blaauwhoedenveem gekomen en nog later bij Thomsen en na 36 jaar bij de firma ben ik nou 11 jaar gepensioneerd.

Waar blijft de tijd?"

Zo zou ik de bootwerkers met hun herinneringen, die tussen de beide polen: kinerlijkheid en verbijstering om eigen narigheid liggen, nog eindeloos kunnen laten doorpraten. Ik geloof echter, dat het nu genoeg is. Zij hebben .immers enigszins een beeld gegeven van het leven van de bootwerker gedurende een halve eeuw. De trend van dat leven volgt de stijgende lijn van de Rotterdamse haven-statistieken. Wanneer de loop van hun lot grafisch moest worden voorgesteld, zou ik laag beginnen, de lijn in de aanvang zeer zwart willen aftekenen op het millimeter-papier van de maatschappij om er bij de stijging een rose tintje aan te geven.

Wanneer ik nu de bootwerkers aanhoor over de tegenwoordige arbeidsverhoudingen, lijkt ook het rose in een fleuriger rood te mogen verlopen.

Nadat zij nog een sigaar met enige wijding hebben opgestoken en heengaan kijk ik hen na. Zij gaan met de vredige gang van mensen, die menen, dat zij het in het leven niet zo kwaad hebben gehad. En dat zo langzamerhand alles wel goed gaat.

Zou ik - wat oorspronkelijk niet in mijn bedoeling lag - de grootste gernene deler willen vinden van hun mening over Thomsen's Havenbedrijf, dan treffen mij enige uitspraken, die ik niet getracht heb uit te lokken, maar nu toch woordelijk opschrijf in een schijnbare warrigheid. Ik leg er de nadruk op, dat de hier volgende uitspraken, in hun oorspronkelijke vorm zijn weergegeven, zoals ik ze hoorde en dat ik er niets aan heb toegevoegd.

"Thomsen, meneer, is altijd en vroeger ook, de beste stevedore geweest. Thomsen was eerlijk en betaalde het loon uit, dat je verdiende."

"Was er vroeger in de lichter in de Zalmhaven eens zo'n snotneus kapot, dan hadden we niks te betalen. Bij een ander hielden ze 5 centen af per man van 11 ploegen van ieder 13 men sen en als er een klauw weg v/as soms wel 50 centen de man."

"Vroeger gingen we na die granenboten toe in van die houten roeiboten voor 12 man. Ze zijn nog eens overvaren en de hele rotzooi ging te water. Maar toen er zo’n granenschop zoek was moesten die bootwerkers dat betalen."

"D'r was vroeger meer angst om 't werk goed te doen dan tegenswoordig. Was er wat an te merken, dan kregen we een réprimande en dat werkte goed. De jonge Backx heeft nog eens gezegd: het lijkent hier wel een ambtenaren dienst zonder verantwoordelijkheidsbesef."

"Er is in het tijdsverloop sinds de firma werd opgericht voor de bootwerker veel veranderd. We hebben sociale verzorging en Thomsen betaalt een Fonds voor Bijzondere Bijstand: kleren kopen, kinderen naar buiten, etcetera meer en zo staat het er op 't ogenblik voor. Dat hebben wij, ouwen, niet gekend vroeger. Ja, ze lieten mijn als jongetje 't bos ingaan ..... is ’ t nou goed. As we ziek waren konden we creperen. Maar Jan Karremen heeft een nieuw gebit gekregen op kosten van Thomsen en toen Treurniet t.b.c. kreeg en naar een sanatorium most, was de jonge Backx er al en die vrouw kreeg f. 15.— in de week. Maar ze verwachtte net een kleintje. Kornt wel in orde, zei meneer Backx en ze kreeg nog f 2.50 en levensmiddelen, maar dan als uitzondering."

“Door de arbeidersbeweging zijn wij tot een betere rechtspositie gekomen. Het is nog niet volmaakt, maar we gaan altijd door vooruit."

"loon en arbeidsvoorwaarden stonden bij Thomsen allang op schrift... en niet sinds vandaag of gisteren, want vóór de collectieve arbeidsovereenkomst bestond, meende Thomsen, dat zijn personeel daar recht op had en heeft dat op schrift gesteld. Dat stuk lag op de Ahoy-tentoonstelling in zo'n latrine te kijk, dat heb ik zelf gezien."

"Toch is er altijd wantrouwen gebleven van de kant van de werknemers, maar de jonge Backx heeft eens tegen mijn gezeid: ik erken volmondig, dat de arbeiders het recht hebben om wantrouwend te staan legen de werkgevers. Ik kan dat niet meer goed maken maar ik kan mijn kracht geven om dat te verbeteren."

"Nou mot je niet denken,dat die jonge Backx zo'n doetje is. Maar ik vin' hem toch dikkels bewonderens waardig van geduld. Eerlijk waar. Maar met al'z'n geduld heeft ie toch altijd haas'. In zijn eerste Fiatje, dat ie na z'n examen van z’n vader gekregen heeft, had ie ook altijd zo'n haas', als ze met z'n zevenen en de dickey seat vol, ermee uit rijen gingen, dat dat wage'tje na iedere aanrijding uitgedeukt moest worden en zo was dat Fiatje allengs een eindje langer geworden. En dan maar haas'! Ais je op de Rijnhaven hoorde blazen kwam Backx an fullspeed! !!

"Maar toch was hij altijd bereid zijn mensen an te horen. Als er wat onder het personeel wier gemopperd, wou hij de reden weten, want hij was 'n man van verantwoording."

"Hij was vooral in zijn jonge jaren wel eens humeurig, vooral 's oches, maar 't was een sportieve vent. Een ontslagen arbeider wil Backx spreken. Die heeft geen tijd. Goed. Die gozer gaat in de gang zitten wachten. Kan ' t zijn pothie-en-je-wee t-wel, al mot ik hier tot vannacht twee uur blijven zitten. Toen hij Backx eindelijk zag schiet-ie 'm an en geeft ‘m meteen een opsodelabberdoedas. En toch is 't ie met die vrijer gaan praten en z'n ontslag is weer ingetrokken, en dat vind ik sportief, nou jij weer.”

"Dat was toch een patroon waar je wat voor over had."

“Hij heeft tegen wantrouwen moeten vechten en 't nog niet onder de knie. Sommigen hebben 'n hekel an 'm, sommigen zijn bang van ‘m. En toe hij directeur werd heeft hij z!n eigen laten ineten. Dat was het beroemde hengstendiner, dat nog op de Schiedamse Dijk in 't Alcazar geëindigd is. Hoef-ie dan bang van ' m te zijn? En datie je ook wel eens de waarheid zeit op zijn manier.... doe mijn een lol…dat konden ze vroeger nog veel mooier. Die man heeft genoeg an- z’n kop, reken maar. Daar zou ik ook de ochtendziekte van krijgen. Voor mijn is 't de hoofdzaak, die ie oog heeft voor de belangen van de arbeiders."

In deze parade van rondborstige meningen is, dacht ik, een mens getekend.

September 1952


Charles A. Cocheret


(In het originele pamflet vermeldde de auteur als ondertekenaar, hetgeen in die jaren soms gebruikelijk was, slechts zijn initialen Ch.A.C.. Een vorm van hoffelijkheid c.q. bescheidenheid  om te laten zien dat niet hij maar de aanbieder/besteller van het boekwerk richting de jubilaris eigenlijk de geestelijke vader was van de publicatie. Onzin, niemand anders had het in die tijd zo mooi kunnen optekenen als Charles A. Cocheret)