DE BESTE HAVENVAKSCHOOL TER WERELD

 

ZE WAREN ZESTIEN EN ZE HADDEN HET ZWAAR  (Deel 1)

De Rotterdamse haven was geen BioVakantieoord. Voor watjes en zielenpoten was geen plaats. Voor 1950 behoorde het havenwerk tot het smerigste en zwaarste werk in ons land, in ruwe a-sociale bedrijven waar
je leven niet veilig was. De havenvakschool moest daar verandering in brengen. Jan Backx van Thomsen’s havenbedrijf had de schoolknuppel in het hoederhok gegooid. Hij vond dat havenarbeid een vak was. Het moest afgelopen zijn met de ongeschoolde bootwerker die na een dag en een nacht doorwerken bezopen thuis kwam.


De vooroorlogse rol van de kroegbazen bij de aanname van werk moest worden afgebroken. Het moest afgelopen zijn met de vele ongelukken en mannen die versleten waren voordat ze oud waren. De Rotterdamse haven moest gelijk staan aan kracht, aan zware hijsen en keihard werken en dat werken moest staan voor dóen, voor aanpakken, voor èchte mannen met opgerolde mouwen die niet ouwehoerden, maar die als ruwe bolsters wel een redelijk blanke pit hadden.


Na de tweede wereldoorlog kwam meer oog voor het belang van goed geschoolde arbeidskrachten. De oprichting van de opleiding, zowel voor volwassenen als jongeren, aan de havenvakschool ging niet over rozen, maar het lukte. Zo konden jongens die voor de havenvakschool kozen vanaf hun zestiende jaar klaargestoomd worden voor die betere werkwereld. De instructeur die hen daar al die mooie dingen leerde werd met “baas” aangesproken. Op het gebied van veiligheid was met die scholing heel wat te winnen, maar al heette het nu havenarbeid in plaats van bootwerk, al was het een vak geworden, het bleef zeker tot vroeg in de jaren 70 zwaar en, afhankelijk van de lading, ook vuil en vies.


Er was nog heel wat stukgoedwerk en het vergde nu eenmaal de mankracht van stevige mannen om dat te laden en te lossen.

In de eerste jaren was er veel verzet van de oude stuwadoors, van botenbazen van ‘de oude stempel’. Wat moesten ze met geschoolde arbeiders? Die gingen maar denken en in de haven was geen behoefte aan denkers, maar aan doeners. Schoolploegen wat moest je daarmee? Voor een 80 kilobaal op je rug had je een kapzak nodig en geen mooie praatjes over veiligheid. Geen wonder dat ze bij Thomsen, die als eerste met de opleiding begon, vonden dat er een gedragsverandering moest komen, vooral bij de hoofdbazen, loods- en botenbazen.


Zelf was ik als Rotterdams jongetje opgegroeid langs de havens. In de jaren vijftig zei ik de zeevaart vaarwel en vond werk in de haven, waar ik al snel bootsman werd en de haven als mijn broekzak leerde kennen. Ik werd ploegleider (er was toen nog geen instructeur) voor de volwassenenopleiding en kwam via de SVZ bij Corn Swarttouw als instructeur voor het leerlingstelsel dat volgde op havenvakschool, een parel aan de Waterweg van bloed zweet en tranen.


De instructeur was, in tegenstelling tot de leraren van de school, niet in dienst van de havenvakschool, maar van de stuwadoor. Dat kon je in lastige parketten brengen, want voor je leerlingen was je verantwoordelijk tegenover de havenvakschool, maar voor je werk aan je werkgever. Je moest soms wel stevig in je schoenen staan als je het belang van de jongens voorop stelde. Niet voor niets gaat het gezegde “wiens brood men eet, diens woord men spreekt”. Niet voor niets was er een wetswijziging nodig om jongeren onder de 18 toe te staan “stuwadoorsarbeid” te verrichten ten behoeve van hun opleiding, een wetswijziging die o.a. inhield dat zij niet meer dan 50 kilo mochten lichten, dat er een instructeur aanwezig was, dat de directies het doel van de opleiding steeds in het oog moesten houden en dat er een controleur moest zijn die daar op toezag.

Als er echter een boot was die “moest varen”, dan wilde daar nog wel eens mee gesjoemeld worden. Dan moesten de jongens er hard tegenaan om productie te halen.


Lag de boot nog niet helemaal aangemeerd? De botenbaas vond dat ook jongens van 16 wel van de wal aan boord konden springen. Dan moest je als instructeur stevig in je schoenen staan, want “wist die instructeur wel wat dat kostte als zo’n boot niet op tijd kon varen”? Was de lading eigenlijk te zwaar? “Dat zo’n instructeur zo’n heisa maakt over een paar kilo’tjes meer”. Ontbraken er een paar sporten halverwege de ladder waarlangs ze het ruim in moesten? “Daar konden ze toch zelf wel op letten”.


Er waren nogal wat verschillen tussen de bedrijven waar de jongens bij toerbeurt kwamen werken. Bij Thomsen werd veel gedaan aan scholing, er was een leslokaal en de schoolploegen werden zoveel mogelijk ingezet in de expeditie, d.w.z. niet in het schip, maar op het terrein (bijv. laden en lossen van auto’s, wagons) of in een loods. Daar is het alleen al veiliger omdat er niet steeds een hijs over je hoofd gaat, het was minder zwaar met minder hoge druk op de productie en omdat het er rustiger en gevarieerder was konden ze er meer leren.


Bij Thomsen begon een ploeg ook met lichte werkzaamheden en dat werd langzaam opgebouwd tot het zwaardere werk en het laden en lossen van lichters.

Bij Corn. Swarttouw was een klein oud kantoor aangewezen als leslokaal voor de schoolploeg. De ploegen werden ingedeeld bij het laden en lossen van de schepen, ze gingen gewoon als putgasten het ruim in en werden al op de tweede dag voor de leeuwen gegooid. Veel meer dan het maken van een hijs leerden ze daar dan ook niet. Als er dagen waren dat er geen schepen voor de wal lagen moesten de schoolploegen maar gaan vegen. Dat gold uiteraard niet als zwaar werk, maar wat er opgeveegd moest worden kon gemakkelijk giftige stoffen bevatten en ook daar moest de instructeur natuurlijk liever niet over zeuren.


Jan Quispel

 

NIET ALLEEN ROZENGEUR EN MANENSCHIJN


COLUMN  -  september/oktober 2012

door Jan Quispel (84)


Wij als schoolploegen van de Havenvakschool werden niet op alle plaatsen in de haven even enthousiast begroet. 
Het was de keerzijde van het leerlingenstelsel. 
Jan Quispel, nu 84, was destijds instructeur bij o.a. Swarttouw en heeft de behoefte die schaduwzijde vast te leggen. 
Want ook dat behoort bij een historisch overzicht, en het correct herinneren van alles dat met het Havenvakschoolverleden te maken heeft. 
Hieronder zijn eerste bijdrage. Bedankt Jan.

Tot zover de eerste column van Jan Quispel. Er volgt binnenkort meer van zijn hand. Aanvullingen over de wat minder prettige kant van het leerlingenstelsel van anderen zijn hier natuurlijk ook welkom.

EN NU AAN HET WERK (DEEL 2)


De HAVENVAKSCHOOL en het leerlingstelsel waren twee verschillende werelden die niet zonder elkaar konden bestaan. Er was eens een buitenlander die de havenvakschool kwam bekijken. Tijdens de rondleiding was hij erg onder de indruk. Het begon ‘s morgens met het hijsen van de vlag en hij vroeg: worden ze opgeleid tot marine officier? Nee, dit was echt een school voor havenarbeiders.


Je hoefde er geen lesgeld
voor te betalen en je kreeg zelfs zakgeld. Er waren drie sportzalen en een sintelbaan. Alles was keurig schoon. Er werd met twee woorden gesproken, met mes en vork gegeten en niet gevloekt. De buitenlander zei: de havenarbeiders bij jullie wonen zeker allemaal in een villa en deze leerlingen zijn zeker de zonen van die havenarbeiders! Nou nee, maar het was wel een pracht van een school, het was de enige in ons land, en ze waren er trots op.


Een groot deel van de leerlingen (nu noemen we ze studenten) had twee jaar dagonderwijs op de school zelf en daarna zaten zij, vanaf hun zestiende, twee jaar in het leerlingstelsel in verschillende bedrijven. Daar moesten zij kennis maken met het echte werk en was het feest afgelopen. De vlag werd niet gehesen, maar de mouwen opgestroopt. Ze moesten aan de slag en aanpakken, maar wel aangepast aanpakken, want ze waren nog jong en ze waren nog leerling. Voor hen was het afwachten bij welke stuwadoor ze geplaatst werden en met wat voor instructeur ze de komende paar maanden moest doorbrengen.


Soms hadden ze geluk en een goede instructeur. Dan leerden ze veel, hadden het naar hun zin en het werk werd go
ed opgebouwd. Soms hadden pech en zaten met de hele ploeg een paar maanden bij een stuwadoor met een chagrijnige instructeur die, trouw aan de baas, de schoolploegen gebruikte als productie ploegen. Dat was wel een echte kennismaking, maar weinig leerling-gericht. Daar werden ze vaak minder opgewekt van.


Er waren leerlingen die maar kort op school hadden gezeten omdat ze al wat ouder waren toen ze er begonnen. Er waren er echter ook met een diploma of een getuigschrift; zij waren ‘maat’ of ‘gezel’. Ze hadden veel aan sport en lange afstandsmarsen gedaan. Er waren er die theoretisch meer wisten dan de instructeur, bijvoorbeeld over breeksterkte (d.w.z. de grootste spanning, vooral trekkracht, die een materiaal - zoals een vezel - kan weerstaan zonder te breken). Zij wisten hoeveel in kilo's uitgedrukte kracht nodig was om een proefeind touw of staaldraad van één meter te laten breken. Er waren niet veel instructeurs die daar oren naar hadden, vooral niet als zij dat zelf niet zouden kunnen uitrekenen.


De praktijk was dozen en balen laden en lossen, zonder dat er ook maar een keer gevraagd werd of die hijs misschien de kabel zou doen knappen. De instructeur wist dat uit ervaring ‘op het oog’ en stond voor het leren van de alledaagse praktijk: hoe je een hijs maakte en aanhoekte, hoe je zo goed mogelijk voor je werk kon gaan staan, hoe je moest tillen, hoe je moest samenwerken. Kortom, hij vertelde hoe je moest werken en hij vond andere dingen belangrijk dan de meester voor de klas, want hij leerde je vooral dat de boot gisteren moest varen en dat we vandaag alweer te laat waren.


Voor de leerlingen waren er grote verschillen tussen instructeurs en voor de instructeurs waren er grote verschillen tussen schoolploegen. Het waren natuurlijk allemaal pubers en pubers kunnen moeilijk zijn. Af en toe werd je als instructeur gewaarschuwd door de collega die jouw nieuwe ploeg al gehad had: “ónhánteerbaar, geluk ermee, ik ben blij dat ik ze kwijt ben”.


Doorgaans vond ik echter al snel dat ze wel meevielen, ik had eigenlijk zelden het gevoel dat ik nou zo’n bijzonder lastige ploeg had. Niet over je heen laten lopen maar toch fair zijn, dat hielp. Ze strak houden als het werk en de veiligheid dat vroegen, maar de teugels kunnen laten vieren als daar wat ruimte voor was en ze af en toe even laten uitdollen. Wel moest je soms een etterbakje even apart nemen en flink terugblaffen. Het kon ook helpen om een opschepper met een al te grote mond opdracht te geven om een moeilijke hijs aan te hoeken, terwijl je nog niet had uitgelegd hoe deze moest. Dat wilde wel eens een tijdje tot wat meer bescheidenheid leiden.


Een al te drukke jongen kon je met een grote doos naar het kabelgat sturen om er een (niet meer bestaand) azijnzuurhoutenankerkettingsluitingsopslagpennetje in te laten doen. Halverwege kwam hij al gekalmeerd terug om te vragen wat hij ook alweer moest halen. Er waren rustige ploegen die keurig alles deden wat er gezegd werd, maar de meeste gedroegen zich als gezonde jonge veulens in het veld en waren goed bij te sturen. Soms waren er jongens die behoefte hadden om te praten en dan hoorde je over problemen bij hen thuis die je eigenlijk niet wilde kennen. Je kon ze immers niet aan oplossingen helpen, meer dan een luisterend oor had je niet te bieden.


Zo was er een jongen die klaagde dat zijn moeder elke dag met een ander in bed lag, dat zijn vader doorgaans bezopen thuiskwam en dat er ’s avonds lang niet altijd eten op tafel stond. Dan ging hij naar zijn zus die om de hoek woonde. Een andere keer had ik een jongen die werkelijk nergens  zin in had en steeds ‘bij de les’ geroepen moest worde
n. Ik nam hem apart en zei:

“jij bent niet geschikt voor de haven. Je bent lui, je kankert alleen maar en loopt de kantjes er af, maar je werkt in een ploeg en als anderen jouw werk moeten doen verziekt dat de ploeg.”


Toen kwam er uit: “ach baas, ik heb helemáál geen zin in die rotte haven, ik doe het voor mijn moeder. Zij vond het geweldig dat ik al op school een zakcentje kreeg en dacht dat er een goede toekomst is in de haven. Ik zou graag van school af willen, maar ik wil geen moeilijkheden met mijn moeder.”


Een paar weken hierna was er ouderavond en ik ontmoette zijn moeder. Ze vroeg mij hoe het met hem ging, want ze had het idee dat haar zoon het niet naar zijn zin had, terwijl er toch zo’n goede toekomst voor hem lag. Ik wilde niet zeggen dat haar zoon de kantjes er af liep en nogal baalde van de haven. “Nou”, zei ik, “uw zoon kan eigenlijk veel meer; hier kan hij zich niet ontplooien.”

Niet veel later ging hij van school af en weer later was hij een uitstekende loodgieter geworden.


Natuurlijk waren er ook verschillen tussen ploegen die, net van school af, voor het eerst in de praktijk kwamen en examenploegen. Aan de eerste had je veel werk, al was het maar omdat ze er geen been in zagen om gevaarlijk onbekommerd over het gangboord van een lichter te lopen stoeien of, vooral als ze moe waren, niet zagen dat ze steeds pal onder een hijs gingen staan. Een examenploeg was een stuk makkelijker. Voor deze ploegen werd door verschillende stuwadoors soms een feestje georganiseerd als ze geslaagd waren en slagen deden ze altijd.


Het doel van dat feestje – vaak een lekker etentje samen met de instructeur - was om hen voor het bedrijf te behouden als werknemer. Een van de leukste dingen die mij bij zo’n gelegenheid overkwam was dat de ploeg mij als afscheidscadeautje een mooie leren portefeuille gaf (die ik nog steeds heb). Toch waren er veel die de haven uit gingen, maar er waren er ook die in de loop van de tijd een goede positie opbouwden, van kraanmeester tot botenbaas.


Bij Corn. Swarttouw was er na 1969 niet veel belangstelling meer voor de examenklassen. Het ging niet zo goed met het bedrijf, een groot deel zou in handen komen van  Furness en dat ging later over naar NV Seaport Terminal.


Jan Quispel (84) -voormalig instructeur bij Swarttouw-

 

Onderstaand de tweede column van Jan Quispel, het aanvullende deel dat iets laat zien, hoe anderen vaak over ons dachten, maar ook hoe wij soms onder handen werden genomen.

Quispel maakte in die dagen soms 8-mm-filmpjes, die hij helaas niet meer heeft, maar nog wel enkele daarom zeer ondiuidelijke stilbeeldjes daarvan. We nemen ze toch op; mogelijk dat desondanks iemand zich daarin herkent


COLUMN - april 2013


HIETBRINK (STC) WEER OP RAMKOERS


Waar bleven de miljoenen van de Havenvakschool

DE RABBIE MAUZER VAN DE LLOYDKADE


Het is weer helemaal krom met hetgeen Erik Hietbrink, voorzitter van het Scheepvaart & Transport College – erfopvolger van de voormalige Havenvakschool, al dan niet voor heeft met de Oud-leerlingen/docenten van deze school. Op werkelijk alle fronten laat hij het afweten en geeft hij, zoals hij al jarenlang doet, stoten onder de gordel wanneer hem wordt gevraagd zich ook eens in te zetten voor de bovenvermelde doelgroep. Waarom toch? Waarom? Enkele voorbeelden.

60 jaar Havenvakschool

Dit jaar, om precies te zijn 7 september a.s., is het 60 jaar geleden dat de Havenvakschool aan de Maashaven werd opgericht. Toevallig is dat ook de dag van de start van de Havendagen. Een uitmuntende gelegenheid dus om deze mijlpaal met alle betrokkenen te vieren. Jong en oud, en
vooral natuurlijk met de ontelbare Oud-leerlingen en docenten van de Havenvakschool die eraan verbonden waren.

Het afgelopen jaar al benaderden wij Hietbrink maar liefst zeven maal met keurig nette e-mails om eens met ons fysiek hierover van gedachten te wisselen. Wij zouden graag een vorm van samenwerking met het STC aangaan omdat in onze registers zeer vele namen en adressen (ruim 1100) van Oud-HVS-ers voorkomen waarover Hietbrink niet beschikt, en misschien kunnen we daarom met elkaar iets feestelijks in elkaar steken. Een verzoek om overleg dus, al was het alleen maar om doublures te  voorkomen.

Maar net zoals hij in het verleden telkens deed, draaide Erik het begrip “samenwerking” om in voornamelijk “tegenwerking” of “geen werking van wat dan ook”. De STC-voorzitter permitteerde het zich even zolang gewoon niet te reageren. Al die e-mails kregen geen response; meestal zelfs geen ontvangstbevestiging.

Zwaluwstaarten - gedverdemme

En toen wij daarop voorzichtig lieten weten het dan zelf maar te doen, schoot hij wakker en kwam er uiteindelijk wel een reactie. Maar die bestond voornamelijk uit een (traditionele) scheldkanonnade aan ons adres, en een uitnodiging om, met een heel vies woord, te komen “zwaluw-staarten” zoals hij dat noemt, maar wederom zonder plaats, tijdstip, voorstel of uitnodiging. Dus ook deze zwaluw maakte geen zomer.

De man wil niet, de man wil niets; ook wil of kan hij niet kenbaar maken in hoeverre het STC aan dat 60-jarige bestaan zelf iets zal gaan doen.

Zoals jegens onze richting al jarenlang het geval is, ligt Erik Hietbrink, voorzitter van het STC, op ramkoers en heeft het er daardoor de schijn van dat hij conflictzoekend blijft…met alle voorspelbare zeer schadelijke gevolgen van dien. En je zou zeggen, als mensen elkaar op persoonlijke gronden niet zouden kunnen verdragen, en daar kunnen wij ons iets bij voorstellen, dan stuur je een vertegenwoordiger de wei in om namens jou in gesprek te gaan.
OM JE DOOD TE SCHAMEN

Rabbie Mauzer

Maar dat gebeurt niet, want zo werkt dat niet bij een Hietbrink omdat zijn megalomane trekken voorkomen dat hij het gezag of macht bij het STC ook maar enigszins zou moeten delen. En vrijwel iedereen weet dat ook. Tientallen bij het STC, de schatting is aan de lage kant, kunnen er over meepraten. In het geheim dan, want zo is de sfeer er inmiddels verziekt.

Sindsdien houden wij het maar gezien met deze rabbie mauzer van de lloydkade (zie: woordenboek De Havenman – Frits Bom), en als er contact nodig is doen we dat wel op keurige wijze via de PR-afdeling van dat instituut.

Maar wat nu, in opdracht van Hietbrink mag deze afdeling ook al niet meer met ons communiceren, dus de dienst die ervoor is opgericht goede externe betrekkingen te bevorderen en te onderhouden laat zich slaafs monddood maken. Maar het kan nog gekker onder het bewind van Hietbrink.

De school die maar niet opent

Nadat het STC het uit 1959 stammende grote Oefenschip voor de Havenvakschool aan de Waalhaven op schandelijke wijze had laten afbreken, zonder het bijvoorbeeld – zonder kosten – te schenken aan het Havenmuseum zodat een lang nageslacht zich nog zou kunnen informeren over die interessante havenarbeid van weleer, kwam er daar een nieuw gebouw voor haven- en transportonderwijs (dat ook een paar meter verderop had kunnen staan zodat het schip behouden had kunnen blijven).

Die school, die tot onze vreugde, maar ook verbazing, door het STC aanvankelijk “Havenvakschool” zou worden genoemd (zie rechts) kon half 2012 in gebruik worden genomen. En tevens werd al in het voorjaar luidruchtig bekend gemaakt dat de officiële opening medio september/oktober zou volgen. Die opening bleef uit. Een net mailtje van ons dus richting de PR-afdeling. Wat is er aan de hand en wanneer is de opening.

Wij werden er niet wijzer van. De argumenten voor het uitstel wisselden per maand.

Eerst zou er n
og teveel rommel liggen naast de school, toen kreeg de vroegere regering de schuld (???) van Hietbrink, vervolgens was er geen “vergunning om het high voltage station” op te ruimen zodat er geen buitenterrein kon worden aangelegd, kortom men is nu bijna een jaar na de oplevering niet in staat de school officieel te openen, terwijl deze allang in gebruik is.

Wat is in werkelijkheid het probleem – een paar bitterballen zijn toch zo besteld, en het inkorten van een feestelijke Hietbrink-toespraak lijkt ons al helemaal geen moeilijkheid.

Koninklijk in  de fout

Zou er iets anders aan de hand zijn, vroegen wij aan de PR-afdeling. Een uitzonderlijk boze e-mail van Hietbrink volgde er meteen op. “Het is ongepast deze afdeling met foute informatie te benaderen”, aldus de voorzitter, terwijl alle “foute (?)” informatie nu juist eerst uit diens koker was gekomen. Helemaal in de war dus.

En vervolgens laat de opperschoolmeester verwijtend weten dat wij geen enkel mandaat hebben voor onze houding. Niet alleen helemaal in de war maar ook nog mesjokke dus. Want sinds wanneer hebben wij, en van wie, een mandaat nodig om de simpele vraag te stellen wanneer die nieuwe school geopend wordt.

Wij lieten Erik voor de zekerheid maar weten over het beste mandaat te beschikken dat een mens maar kan hebben, en dat juist hem dat mandaat ontbeert. Het is nu alweer een poosje rustig want zoiets ingewikkelds vereist denkkracht.

Opent Willem Alexander kantoorgebouw

Maar er is nog iets aan de hand. Terwijl er zeer geheimzinnig over wordt gedaan, en de buitenwereld van niets mag weten, is het al een feit van algemene bekendheid dat de voornaamste reden is dat Prins Willem Alexander, die voor het openingsritueel is uitgenodigd de komende tijd wel iets anders aan zijn hoofd heeft.

Echter, de vele Koninklijke bezoeken aan de Havenvakscholen in het verleden kwamen tot stand omdat de hoogwaardigheidsbekleders er werkelijk iets hadden te doen en te zien. Nu is het niet meer dan een “te lang uitgesteld” openingsritueel van een school die er al lang is en functioneert, maar waar aan de buitenkant in het geheel niets valt waar te nemen dat aan de haven of aan havenvakonderwijs doet denken. Het is van buiten gewoon een soort kantoorgebouw. Wat een gemiste kansen, opnieuw.

Waar zijn de miljoenen

In de reeks onzorgvuldige STC-berichten richting buitenwereld speelt Hietbrink zelf de hoofdrol.

Heette het vorig jaar bij de oplevering van de school (en de publiciteit daaromheen) nog zo, kijk naar het voorbeeld in het blad Logistiek (links), dat dit project 16 miljoen Euro had gekost, en dat deze eerste havenvakschool ter wereld de voortzetting is van de Prof. Ruttenschool uit 1958; wij tellen hier in één zin door de verkeerde informatie door Hietbrink zelf aangedragen maar liefst 4 koeien van fouten c.q. misleidingen.

De school kostte geen 16 miljoen, de school heette niet de Prof. Ruttenschool (dat kwam pas 10 jaar later) maar gewoon Havenvakschool, het jaartal van 1958 is onjuist, dat moet zijn 1959, en het was niet de eerste Havenvakschool ter wereld want dat was de Havenvakschool aan de Maashaven van 7 september 1953.

En al die malle foute gegevens worden alsof er niets aan de hand is gewoon door Erik Hietbrink opgehoest en voortgezet, want in het nieuwsblad van het STC tekende hij persoonlijk zichzelf citerend op:

“…Het duurde vele jaren voordat het besluit om een eigen school op te richten en te bouwen, werd genomen. In 1959 opende de eerste vestiging ter wereld een Havenvakschool met een volwaardig curriculum de deuren op de historische grond aan de Waalhaven Zuidzijde….”.

Nogmaals nonsens dus. Het was 1953 en aan de Maashaven. Waarom verdraait Hietbrink hier de geschiedenis, daarmee tevens vele honderden Oud-leerlingen van de HVS desavouerend, want hij weet natuurlijk beter.

Is het om nu onder een viering van een zestig jarige geschiedenis uit te komen? Het lijkt erop. Bah.

Of is het gewoon, om de heer Van Gaal te citeren: Ben ik nu degene die zo slim is, of ben jij nou zo dom?

Het mag wat kosten

En dan de kosten van de school. Vele bedragen circuleren er (zoals ook over het aantal leerlingen van het STC). Zoals hierboven genoemd werd er vorig jaar nog gerept over 16 miljoen Euro. Kort geleden laat de STC-baas aan ons alweer persoonlijk en schriftelijk weten dat de school “15 miljoen Euro” heeft gekost, en begin maart weet hij hier niet meer van, en meldt hij aan ons per mail weer wat anders, namelijk dat het “12 miljoen Euro” is. Hebben wij hier van doen met de heer Alzheimer?

Men kijkt daar in die STC-kringen dus niet op een paar miljoentjes meer of minder. Maar waar zijn die “4 miljoen Euro” sinds vorig jaar plots gebleven, en die overige miljoenen waar eerder nog afwijkender in de media over werd bericht? In dezelfde broekzak als waarin er tienduizend Euro terecht kwam die Erik Hietbrink ooit meldde te hebben besteed aan een Oud-leerlingenvereniging, maar waar nooit een cent van die som terecht kwam?

Langzamerhand dringt zich de vraag op of de complete Raad van Toezicht van het STC niet eens in actie moet komen - of de andere 3 leden van het College van Bestuur. Maar de vraag stellen is hem beantwoorden, want de angstcultuur bij het STC is op diverse plaatsen zo stevig verankerd dat docenten tot in het hoogste kader de kaken op elkaar klemmen of gewoon weglopen als ze de naam van hun voorzitter horen. Dus de zowel Raads- als Collegeleden krijgen geen voldoende feedback meer van de onderhorigen. Dat is slecht voor een bedrijf, en nog meer voor een onderwijsinstelling.

Actie nieuwe leerlingen

Momenteel wordt er door ons hard gewerkt aan een grote documentaire “150 jaar Havenarbeid”, die rond de herdenkingsdatum van de oprichting van de Havenvaksc
hool in 1953 op dezelfde 7 september, maar dan dit jaar, gereed is voor verspreiding en uitzending.

Door tallozen is aan deze budgetloze productie (nooit eerder vertoond) constructief  meegewerkt. Tientallen havenwerkers werden geïnterviewd, ondernemers evenzeer en medewerking werd verkregen door alle grote bedrijven die werden benaderd, zoals ECT, EMO, Matrans en de grootste werkgeversorganisatie in Rotterdam: Deltalinqs (erfopvolger Scheepvaart Vereniging Zuid).

Eén van de doelstellingen van deze documentaire is om jongeren meer zicht te geven op de havens en opleidingen van dit moment. Dus wie weigert elke medewerking aan dit project?: goed geraden, de enige die juist voor support en eigen belang vooraan had moeten staan:  Erik Hietbrink.

Wij verzochten met uitgebreide toelichting om een kraanbrugsimulator te filmen die er in gebruik is om jongeren te kunnen laten zien met welke moderne middelen thans onderwijs wordt gegeven. De medewerking werd geweigerd. Hietbrink verbood zijn PR-mevrouw zelfs antwoord te laten geven op de vraag op welke gronden die weigering is gebaseerd.

Ook in Zwolle is een Zeevaartschool, met een simulator. Dus wij legden hetzelfde verzoek aldaar voor. Goed voor al die jongelui die ver van Rotterdam wonen en toch meer willen weten van transport en havens. En omdat d
it instituut sinds 2012 onder het STC ressorteert diende men, het is te bizar voor woorden, eerst toestemming te krijgen uit Rotterdam…van Hietbrink. Nee dus.

Dat gebeurt er als een jokkende schoolmeester alle macht naar zich heeft toegetrokken en honderden, zo niet duizenden, geïnteresseerden willens en wetens dupeert die (zonder dat het wie dan ook wat kost – er is aan al die instituten en personen voor deze documentaire over de havenarbeid geen cent gevraagd), van groot belang zijn voor de duizenden vacatures die er westwaarts gaan komen waar opleidingen voor nodig zijn maar waar een van de belangrijkste opleiders zich overwegend laat inspireren en meevoeren door zijn ongebreidelde machtshonger.

Frits Bom